THE MERCK MANUAL MEDICAL LIBRARY: The Merck Manual of Medical Information--Home Edition
Tips for better results

Section

Subject

Topics

Voeden

Een gezonde pasgeborene heeft een actieve tepelzoek- en zuigreflex en kan direct na de geboorte beginnen met drinken. Als de baby niet direct na de geboorte aan de borst is gelegd, wordt de baby gewoonlijk binnen een uur na de geboorte gevoed.

De meeste baby's slikken samen met de melk lucht in. Aangezien ze meestal niet uit zichzelf een boertje kunnen laten, helpt een ouder de baby de lucht kwijt te raken door het kind rechtop tegen de borst te houden, met het hoofd van de baby tegen de schouder van de ouder, terwijl deze de baby zacht op de rug klopt. Tegelijkertijd op de rug kloppen en tegen de schouder houden resulteert meestal in een goed hoorbaar boertje, waarbij de baby vaak ook wat melk opgeeft. Veel deskundigen raden aan om gedurende 6 maanden alleen borst- of zuigelingenvoeding te geven.

Borstvoeding

Moedermelk is de beste voeding voor pasgeborenen. Deze voeding bevat niet alleen de noodzakelijke voedingsstoffen in de best verteerbare en best opneembare vorm, maar ook antilichamen en witte bloedcellen die de baby tegen infecties beschermen. Moedermelk heeft een gunstige invloed op de pH (zuurgraad) van de ontlasting en op de darmflora en beschermt de baby op deze manier tegen infectieuze diarree. Dankzij de beschermende eigenschappen van moedermelk komen veel infectieziekten minder vaak voor bij baby's die borstvoeding krijgen dan bij baby's die flesvoeding krijgen. Borstvoeding heeft ook veel voordelen voor de moeder. Zo heeft de moeder een intiemer contact met haar baby dan wanneer ze flesvoeding geeft. In Nederland krijgt ongeveer 60% van de baby's na 6 weken nog borstvoeding. Werkende moeders kunnen de baby thuis borstvoeding geven en tijdens hun afwezigheid de baby laten voeden met afgekolfde moedermelk of zuigelingenvoeding.

Baby's die borstvoeding krijgen, moeten vanaf de tweede week tot de leeftijd van 3 maanden dagelijks vitamine K krijgen. Vitamine D moet gedurende het gehele eerste levensjaar worden gebruikt en daarna gedurende de wintermaanden tot en met het vierde levensjaar. Bij flesvoeding zijn deze toevoegingen in het eerste levensjaar niet nodig. Gebruik van vitamine D na het eerste jaar is voor alle kinderen gelijk.

Een dunne gele vloeistof, ‘colostrum' genaamd, vloeit uit de tepel voordat er melk wordt geproduceerd. Colostrum is calorierijk en bevat veel eiwitten en antilichamen. De antilichamen worden direct uit de maag in het lichaam opgenomen en beschermen de baby tegen veel infectieziekten.

De moeder neemt een gemakkelijke, ontspannen houding aan, bijvoorbeeld zittend of halfliggend, en draait van de ene zij op de andere om het kind aan elke borst te laten drinken. De baby ligt met het gezicht naar de moeder toe. De moeder ondersteunt de borst met de vingers terwijl de duim en wijsvinger op de bovenkant rusten. Vervolgens wrijft ze de tepel langs het midden van de onderlip van de baby. Dit stimuleert de baby zijn mond te openen, de zogenoemde ‘tepelzoekreflex', en de borst te pakken. De moeder plaatst de tepel en tepelhof voorzichtig in de mond van de baby en zorgt ervoor dat de tepel in het midden van de mond zit om het ontstaan van tepelkloven zoveel mogelijk te voorkomen. Om de baby met drinken te laten stoppen, brengt de moeder haar vinger in de mond van de baby en duwt zijn kin zacht omlaag. Hierdoor wordt het vacuüm opgeheven, zodat de baby de tepel gemakkelijker kan loslaten. Tepelkloven zijn gemakkelijker te voorkomen dan te genezen en worden vrijwel altijd door slecht aanleggen veroorzaakt.

In het begin drinkt de baby meestal een paar minuten per borst. De reflex die dit bij de moeder teweegbrengt (de toeschietreflex), stimuleert de melkproductie. Hoe lang de baby drinkt, is bepalend voor de melkproductie. De voedingstijd moet dus lang genoeg duren om de melkproductie volledig op gang te brengen. De eerste weken moet de zuigeling worden gestimuleerd om bij elke voeding uit beide borsten te drinken. Sommige zuigelingen vallen echter tijdens het drinken uit de eerste borst in slaap. De borst waaruit het laatst is gedronken, moet bij de volgende voeding als eerste worden aangeboden. Bij een eerste baby duurt het meestal 72 tot 96 uur voordat de melkproductie goed op gang is gekomen. Bij een volgend kind gaat dit meestal sneller. Als de moeder de eerste nacht erg moe is, kan een van de nachtelijke voedingen door water worden vervangen. Er mag de eerste paar dagen echter niet meer dan 6 uur tussen de voedingen zitten omdat de melkproductie anders onvoldoende wordt gestimuleerd. Voeden naar behoefte (van de baby uiteraard) verdient de voorkeur boven voeden volgens de klok. Ook moet de duur van iedere voeding op de behoefte van de baby worden afgestemd. In de regel drinken baby's 8 tot 12 keer per etmaal, maar dit varieert nogal van kind tot kind.

De moeder krijgt in de eerste 2 tot 3 weken na de bevalling bezoek van een verpleegkundige van het consultatiebureau, die controleert of de borstvoeding goed verloopt en die eventuele vragen kan beantwoorden. Het is mogelijk dat de baby eerder moet worden onderzocht als er problemen zijn met de voeding of als de ouders een specifieke vraag hebben. Aangezien de moeder niet precies kan weten hoeveel de baby drinkt, wordt door een arts of verpleegkundige van het consultatiebureau bepaald of de melkproductie voldoende is aan de hand van de frequentie van de voedingen en de gewichtstoename. Baby's die willen eten en om de paar uur worden gevoed, maar van wie het gewicht toch niet toeneemt in de mate die past bij hun leeftijd en lengte, krijgen waarschijnlijk niet genoeg melk.

De beslissing wanneer met borstvoeding te stoppen (en de zuigeling voortaan te ‘spenen') hangt af van de behoefte van moeder en kind. Het is raadzaam de baby gedurende minstens 6 maanden uitsluitend borstvoeding te geven en daarna tot de leeftijd van 12 maanden borstvoeding gecombineerd met vast voedsel. Geleidelijk spenen gedurende een periode van weken of maanden is voor moeder en kind gemakkelijker dan plotseling stoppen. In eerste instantie vervangt de moeder 1 tot 4 borstvoedingen per dag door een flesje of beker vruchtensap, afgekolfde moedermelk of ‘opvolgmelk'. Vooral voedingen die rond etenstijd worden gegeven, moeten door vast voedsel worden vervangen. Leren drinken uit een beker is een belangrijke mijlpaal in de ontwikkeling en als het kind ongeveer 10 maanden oud is, kan het al volledig aan een beker zijn gewend. De moeder vervangt steeds meer borstvoedingen door ander voedsel. Sommige kinderen blijven echter één tot twee keer per dag uit de borst drinken totdat ze 18 tot 24 maanden oud of nog ouder zijn. Wanneer een moeder langer borstvoeding blijft geven, is het belangrijk dat het kind daarnaast ook vast voedsel eet en uit een beker drinkt.

illustrative-material.figure-short 2

Een baby voor borstvoeding aanleggen

Een baby voor borstvoeding aanleggen

De moeder neemt een gemakkelijke, ontspannen houding aan. Dit kan een zittende of halfliggende houding zijn en de baby kan op verschillende manieren worden vastgehouden. De moeder moet ontdekken welke houding voor haar en de baby het prettigst is. Ze kan desgewenst af en toe van houding veranderen.

Een vaak gekozen houding is die waarbij de baby op de schoot van de moeder wordt vastgehouden. De baby ligt op zijn zij met zijn buik tegen de buik van de moeder. Wanneer de baby uit de linker borst drinkt, ondersteunt de moeder zijn nek en hoofd met haar linkerarm. De baby wordt ter hoogte van de borst gebracht, niet de borst ter hoogte van de baby. Het is belangrijk dat de moeder en de baby ergens op kunnen steunen. Er kunnen kussens achter de rug of onder de arm van de moeder worden gelegd. De moeder kan haar voeten op een voetenbankje of lage tafel leggen om te voorkomen dat ze over de baby heen gebogen zit. Een voorovergebogen houding kan te belastend zijn voor de rug en kan tepelkloven veroorzaken. Voor extra steun kan een kussen of opgevouwen deken onder de baby worden gelegd.

Flesvoeding

Pasgeborenen worden gewoonlijk kort na de bevalling gevoed en vervolgens is het het beste ze te voeden wanneer ze er behoefte aan hebben. Baby's krijgen de eerste week 30 tot 60 ml voeding per keer, een hoeveelheid die langzaam wordt opgevoerd tot 90 tot 120 milliliter, zes tot acht keer per dag in de tweede week. Ouders moeten de baby niet dwingen elk flesje leeg te drinken, maar de baby juist zo veel laten drinken als hij wil en wanneer hij honger heeft. Naarmate de zuigeling groeit, gaat hij steeds meer drinken. In de derde of vierde maand is dit 180 tot 240 ml per keer. Wanneer de baby flesvoeding krijgt, moet hij half achterover of helemaal rechtop zitten. Flesvoeding moet niet worden gegeven als de baby op de rug ligt, omdat er dan melk in de neus of de buis van Eustachius kan komen. Oudere zuigelingen die zelf hun flesje kunnen vasthouden, mogen niet met hun flesje te slapen worden gelegd omdat hun gebit kan worden aangetast en er gaatjes kunnen ontstaan als het steeds met melk of sap in aanraking komt.

De zuigelingenvoeding in poedervorm die in winkels verkrijgbaar is, bevat de juiste hoeveelheid voedingsstoffen, calorieën, vitaminen en mineralen en wordt in blikken verkocht. De poeder moet volgens voorschrift met water worden aangelengd. Ouders die flesvoeding geven, moeten zich precies houden aan de bereidingsinstructies op de verpakking. Zuigelingenvoeding wordt meestal van koemelk gemaakt, maar er is ook zuigelingenvoeding voor baby's die geen koemelk verdragen. Er zijn op de lange termijn geen verschillen in gezondheid tussen kinderen die de ene of de andere zuigelingenvoeding hebben gekregen. Gewone koemelk is echter geen geschikte voeding gedurende het eerste levensjaar.

Om de zuigeling zo min mogelijk bloot te stellen aan ziekteverwekkende micro-organismen, moet de zuigelingenvoeding uit een steriel flesje worden gegeven. De spenen voor het flesje moeten worden gesteriliseerd door de spenen gedurende 5 minuten in kokend water te leggen. De ouder moet de flesvoeding tot lichaamstemperatuur opwarmen. Het gevulde flesje wordt in een bakje heet water geplaatst totdat het op lichaamstemperatuur is gekomen. De baby kan ernstige brandwonden oplopen als de voeding te heet is, daarom moet de ouder het flesje voorzichtig schudden opdat de temperatuur overal gelijk wordt en deze controleren door een paar druppels van de voeding op de gevoelige huid aan de binnenkant van zijn pols te laten vallen. Voeding waarvan de temperatuur gelijk is aan de lichaamstemperatuur voelt koud noch warm aan. In een magnetron kan fles- of andere babyvoeding veel te heet worden, daarom wordt gebruik van een magnetron voor het opwarmen afgeraden.

Het gaatje in de speen mag niet te groot zijn. In het algemeen geldt dat de voeding langzaam uit het flesje hoort te druppelen wanneer dit ondersteboven wordt gehouden. Grotere, oudere zuigelingen willen vaak meer drinken en voor hen kan een speen met een grotere opening worden gebruikt.

Beginnen met vast voedsel

Het moment waarop het eerste vaste voedsel (vaak ‘bijvoeding' genoemd), zoals een fruit- of groentehapje, wordt gegeven, is afhankelijk van de behoeften van het kind. In het algemeen zijn zuigelingen toe aan vast voedsel wanneer ze zo groot zijn dat ze calorieën in een meer geconcentreerde vorm dan zuigelingenvoeding nodig hebben. Dit is het geval wanneer blijkt dat de zuigeling geen honger meer heeft na een flesje in zijn geheel te hebben leeggedronken, maar 2 of 3 uur later toch weer honger heeft. Gewoonlijk gebeurt dit op de leeftijd van 6 maanden. Kinderen jonger dan 6 maanden kunnen vast voedsel nog niet goed doorslikken, al lukt het sommigen wel als het achter op hun tong wordt gelegd. Sommige ouders proberen hun nog zeer jonge zuigelingen grote hoeveelheden vast voedsel te geven zodat ze 's nachts doorslapen. Dit werkt meestal niet en als een kind al vroeg wordt gedwongen te eten, kan dit aspiratiepneumonie en op latere leeftijd eetproblemen veroorzaken. Veel zuigelingen krijgen vast voedsel na borst- of flesvoeding, zodat zowel hun zuigbehoefte als hun honger wordt gestild.

Zuigelingen hebben eerder last van voedselallergieën of overgevoeligheid voor bepaalde voedingsmiddelen dan oudere kinderen en volwassenen. Als in korte tijd veel verschillende voedingsmiddelen worden gegeven, is het moeilijk te bepalen welk voedsel mogelijk een reactie heeft veroorzaakt. Ouders moeten daarom per keer maar één nieuw voedingsmiddel aanbieden, niet vaker dan één per week. Zodra duidelijk is dat een bepaald voedingsmiddel wordt verdragen, mag het volgende worden gegeven.

Meestal krijgt een kind bij 5 maanden groente, bij 6 maanden gevolgd door pap en fruit. Vlees is een goede eiwitbron en moet op latere leeftijd worden gegeven, vanaf ongeveer 7 maanden. Veel zuigelingen weigeren in eerste instantie vlees te eten.

Het voedsel moet met een lepeltje worden gegeven zodat het kind kan wennen aan deze nieuwe manier van eten. Als kinderen 6 tot 9 maanden oud zijn, kunnen ze zelf voedsel vastpakken en naar de mond brengen. Ze moeten worden aangemoedigd om te helpen bij hun voeding. Baby's verslikken zich echter gemakkelijk in kleine, harde stukjes voedsel (bijvoorbeeld pinda's, rauwe wortel, snoep en crackertjes). Deze voedingsmiddelen moeten dus niet worden gegeven. Gepureerd zelfbereid voedsel is goedkoper dan kant-en-klare babyvoeding en heeft de juiste voedingswaarde.

Zuigelingen houden van zoetigheid, maar suiker is geen essentiële voedingsstof en moet met mate en misschien wel helemaal niet worden gegeven. Baby's hebben geen baat bij gezoete nagerechten voor baby's. Honing moet het eerste jaar eveneens worden vermeden omdat het sporen van Clostridium botulinumkan bevatten. Deze sporen zijn niet schadelijk voor oudere kinderen en volwassenen, maar kunnen bij zuigelingen botulisme veroorzaken.

Last full review/revision February 2003

Back to Top

Previous: De eerste paar dagen

Next: Ontlasting en urine

Figures
Tables
Disclaimer