THE MERCK MANUAL MEDICAL LIBRARY: The Merck Manual of Medical Information--Home Edition
Tips for better results

Section

Subject

Topics

Diagnostisch onderzoek

Bloedtests

Bij de diagnostiek en de controle van aandoeningen wordt van een groot aantal verschillende bloedtests gebruikgemaakt. Omdat het vloeibare gedeelte van het bloed (plasma) veel stoffen meevoert die essentieel zijn voor het functioneren van het lichaam, kan bloedonderzoek worden gebruikt om na te gaan wat er in veel delen van het lichaam gebeurt.

Bloedonderzoek is eenvoudiger dan het afnemen van een weefselmonster van een bepaald orgaan. De schildklierfunctie kan bijvoorbeeld gemakkelijker worden beoordeeld door de hoeveelheid schildklierhormoon in het bloed te bepalen dan door een weefselmonster van de schildklier te nemen. Hetzelfde geldt voor de lever: het is gemakkelijker om leverenzymen en -eiwitten in het bloed (see Introductie) te bepalen dan om een weefselmonster van de lever te nemen. Er zijn echter ook bloedtests waarmee de samenstelling en de functie van het bloed zelf kunnen worden bepaald. Bij de diagnostiek van bloedziekten wordt het meest van deze tests gebruikgemaakt.

Volledig bloedbeeld: De meest voorkomende bloedtest is het volledige bloedbeeld, een basaal onderzoek van de bloedcellen (rode bloedcellen, witte bloedcellen, bloedplaatjes). Met een druppel bloed wordt deze test in geautomatiseerde apparatuur in minder dan een minuut uitgevoerd. Het volledige bloedbeeld wordt in de meeste gevallen aangevuld met microscopisch onderzoek van bloedcellen.

Bij het volledige bloedbeeld hoort het tellen van het aantal rode bloedcellen en het bepalen van de hoeveelheid hemoglobine (het eiwit dat voor het vervoer van zuurstof zorgt) in het bloed. Daarnaast wordt vaak gekeken naar de grootte van de rode bloedcellen. Abnormaal gevormde rode bloedcellen kunnen onder de microscoop nader worden onderzocht. Abnormale rode bloedcellen kunnen gefragmenteerd zijn of de vorm van een traan, een maansikkel, een naald of nog een reeks andere vormen hebben. Kennis van de specifieke vorm of grootte van rode bloedcellen is soms zinvol bij het diagnosticeren van een specifieke oorzaak van bloedarmoede. Zo zijn sikkelvormige cellen kenmerkend voor sikkelcelziekte, kleine cellen met te weinig hemoglobine kunnen op ijzergebreksanemie wijzen en grote ovale cellen duiden op bloedarmoede door een tekort aan foliumzuur of vitamine B12 (pernicieuze anemie).

Nadat de informatie over aantal, grootte en vorm van de rode bloedcellen bij elkaar is gevoegd, kan aanvullend onderzoek worden gedaan om de oorzaak van de bloedarmoede op te sporen. Dat bestaat onder meer uit onderzoek naar toegenomen fragiliteit van rode bloedcellen, abnormale vormen van hemoglobine en de hoeveelheden van bepaalde andere stoffen in rode bloedcellen.

Een ander onderdeel van het volledige bloedbeeld is het aantal witte bloedcellen. Wanneer gedetailleerdere informatie nodig is over de toestand van een patiënt kunnen de verschillende typen witte bloedcellen worden geteld (differentiatie). Als het totale aantal witte bloedcellen of het aantal van een specifiek type witte bloedcel hoger of lager is dan normaal dan kunnen deze cellen microscopisch worden onderzocht. Hiermee kunnen afwijkingen worden gevonden die kenmerkend zijn voor bepaalde aandoeningen. Grote aantallen witte bloedcellen die er zeer onrijp uitzien (blasten) kunnen bijvoorbeeld op leukemie (kanker van de witte bloedcellen) duiden.

Ook de bloedplaatjes worden als onderdeel van het volledige bloedbeeld geteld. Het aantal bloedplaatjes is een belangrijke aanwijzing voor de mate waarin het bloed in staat is bloedingen tot staan te brengen (stollingsmechanisme). Een te groot aantal bloedplaatjes (trombocytemie of trombocytose) kan tot het ontstaan van bloedstolsels in kleine bloedvaatjes leiden, vooral in het hart of de hersenen.

Het aantal reticulocyten: de reticulocytentelling levert het aantal pas gevormde (jonge) rode bloedcellen (reticulocyten) per gespecificeerde hoeveelheid bloed op. Het aantal reticulocyten bedraagt gewoonlijk ongeveer 1% van het totale aantal rode bloedcellen. Wanneer het lichaam meer rode bloedcellen nodig heeft, zoals bij bloedarmoede, reageert het beenmerg daar gewoonlijk op door meer reticulocyten aan te maken. Het aantal reticulocyten is dus een maat voor de beenmergfunctie.

Bloedgroeptypering: de bloedgroep, bepaald door de aanwezigheid van eiwitten op het oppervlak van rode bloedcellen, kan worden vastgesteld door te kijken hoe een klein bloedmonster op bepaalde antilichamen reageert. Voordat een bloedtransfusie kan plaatsvinden, moet de bloedgroep van de patiënt zijn vastgesteld. (see BloedtransfusieFigures)

Bloedingstijd en andere stollingstests: het vermogen van het lichaam om een bloeding tot staan te brengen, kan worden vastgesteld door behalve het aantal bloedplaatjes ook de bloedingstijd te bepalen. Bij dit onderzoek wordt een klein sneetje in de onderarm van de patiënt gemaakt, waarna de tijd wordt gemeten die verstrijkt totdat het bloeden ophoudt. Deze test is voornamelijk een maat voor het functioneren van de bloedplaatjes. De meeste tests voor deze functie worden met geautomatiseerde methoden gedaan. Er kunnen andere tests worden uitgevoerd voor het bepalen van de totale functie van de vele eiwitten die nodig zijn om het bloed te laten stollen (stollingsfactoren). De meest gebruikte tests zijn bepaling van de protrombinetijd (PT; uitgedrukt in de International Normalized Ratio, INR) en de partiële tromboplastinetijd (PTT). Ook van de individuele stollingsfactoren kan de hoeveelheid worden bepaald.

Overige bloedtests: er kunnen speciale bloedtests worden gebruikt om andere bloedziekten vast te stellen. In zeldzame gevallen kan bijvoorbeeld de totale hoeveelheid bloed of het totale aantal van bepaalde bloedcellen in het lichaam worden gemeten. Deze metingen worden uitgevoerd met radioactieve isotopen die zich met het bloed vermengen of zich aan bloedcellen hechten.

illustrative-material.table-short 1

VOLLEDIG BLOEDBEELD

test

wat wordt bepaald

normaalwaarden

hemoglobine

de hoeveelheid van dit zuurstoftransporterende eiwit in de rode bloedcellen

man: 8,7-11,2 mmol/l (millimol per liter)

vrouw: 7,5-10,0 mmol/l

hematocriet

verhouding tussen rode bloedcellen en het totale bloedvolume

man: 0,45-0,55 l/l

vrouw: 0,40-0,50 l/l

MCV (mean corpuscular volume)

gemiddelde volume per rode bloedcel

80-100 fl (f = femto = 10–15)

leukocyten

aantal witte bloedcellen per gespecificeerde hoeveelheid bloed

4,0-10,0 × 109/l

differentiatie

percentages van de verschillende typen witte bloedcellen

eosinofiele granulocyten: 0,05-0,40 × 109/l (0,01-0,05)

basofiele granulocyten: 0,00-0,10 × 109/l (0,00-0,02)

neutrofiele granulocyten: 1,80-6,50 × 109/l (0,45-0,75)

lymfocyten: 0,65-3,00 × 109/l (0,20-0,50)

monocyten: 0,15-0.60 × 109/l (0,03-0,10)

trombocyten

aantal bloedplaatjes per gespecificeerde hoeveelheid bloed

150-400 × 109/l

MPV (mean platelet volume)

gemiddeld volume van de bloedplaatjes

7-10 fl

Beenmergonderzoek

Soms moet een monster van het beenmerg worden onderzocht om vast te stellen waarom bloedcellen er abnormaal uitzien. Er zijn twee verschillende manieren om beenmergmonsters af te nemen: een beenmergpunctie en een botboring. Meestal worden beide methoden op het heupbeen (crista iliaca) toegepast, al wordt een beenmergpunctie ook wel op het borstbeen (sternum) uitgevoerd. Bij zeer jonge kinderen worden soms beenmergmonsters uit het scheenbeen (tibia) genomen.

Wanneer beide soorten monsters nodig zijn, worden die tegelijkertijd genomen. Nadat de huid en het weefsel boven het bot met een plaatselijk verdovingsmiddel ongevoelig zijn gemaakt, wordt de scherpe naald van een spuit in het bot gebracht. Bij een beenmergpunctie wordt aan de zuiger van de spuit getrokken, waardoor een kleine hoeveelheid van het zachte beenmerg in de spuit wordt opgezogen. Dit wordt op een objectglaasje uitgestreken en microscopisch onderzocht. Ook kan dit monster worden gebruikt voor speciale onderzoeken zoals een kweek van bacteriën, virussen of schimmels, chromosoomonderzoek en onderzoek van eiwitten op het celoppervlak (flowcytometrie). Hoewel een punctie gewoonlijk voldoende informatie oplevert om een diagnose te kunnen stellen, gaat de samenhang van de cellen bij het opzuigen verloren. Hierdoor kan het moeilijk zijn om de oorspronkelijke rangschikking van de cellen vast te stellen.

Wanneer de precieze onderlinge anatomische verhoudingen van de cellen en de structuur van de weefsels moeten worden vastgesteld, wordt ook een botboring uitgevoerd. Hierbij wordt een klein stukje onbeschadigd bot (botbiopt) verwijderd met behulp van een naald met daarin een boor. Dit botbiopt wordt geconserveerd en in dunne plakjes gesneden voor microscopisch onderzoek.

Afname van een beenmergmonster gaat meestal met een lichte pijnscheut gepaard, gevolgd door wat ongemak. De ingreep duurt slechts enkele minuten.

illustrative-material.figure-short 1

Afnemen van een beenmergmonster

Afnemen van een beenmergmonster

Beenmergmonsters worden meestal uit het heupbeen (crista iliaca) afgenomen. De patiënt ligt op de zij met het gezicht van de arts afgewend en het bovenste been opgetrokken. Nadat de huid en het weefsel boven het bot met een plaatselijk verdovingsmiddel ongevoelig zijn gemaakt, wordt een naald in het bot gebracht en het beenmerg afgezogen.

Last full review/revision February 2003

Back to Top

Previous: Symptomen

Next: Introductie

Figures
Tables
Disclaimer