THE MERCK MANUAL MEDICAL LIBRARY: The Merck Manual of Medical Information--Home Edition
Tips for better results

Section

Subject

Topics

Prognose en behandeling

Zonder behandeling verloopt een shock meestal fataal. Als de shock wordt behandeld, hangt de prognose af van de oorzaak, de eventuele andere aanwezige aandoeningen, de tijd die verstrijkt tot de behandeling wordt gestart en het type behandeling. Ongeacht de behandeling is het risico van overlijden door een septische shock of door een shock als gevolg van een zwaar hartinfarct vooral bij ouderen groot.

Degene die als eerste de patiënt aantreft, kan verschillende maatregelen nemen om de toestand te verlichten, waaronder ook het inroepen van professionele hulp. Iemand die in shock verkeert, moet warm worden gehouden en worden neergelegd met de benen ongeveer 20 tot 40 cm omhoog om de terugstroom van het bloed naar het hart te bevorderen. Als er een bloeding is, dient deze te worden gestelpt en de ademhaling moet worden gecontroleerd. Het hoofd moet opzij worden gedraaid om te voorkomen dat het slachtoffer zijn eigen braaksel inademt. Er mag geen vloeistof of vaste voeding via de mond worden toegediend.

Wanneer de ambulancemedewerkers zijn gearriveerd, kunnen zij de patiënt zuurstof toedienen via een masker of kunstmatig beademen. Eventueel noodzakelijke geneesmiddelen worden intraveneus toegediend. Gewoonlijk worden geen verdovende (opiaten) of kalmerende middelen gebruikt, aangezien deze vaak tot verdere verlaging van de bloeddruk leiden. Soms wordt geprobeerd de bloeddruk te verhogen met behulp van een antishockbroek (MAST). Een dergelijke broek oefent druk uit op het onderlichaam, waardoor bloed vanuit de benen naar het hart en de hersenen wordt gestuwd. Verder worden intraveneus in hoog tempo grote hoeveelheden vocht toegediend. Vóór een bloedtransfusie wordt gegeven, wordt normaal gesproken het bloed onderzocht door middel van een zogenoemde ‘kruisproef'.

Als het bloed- of vochtverlies aanhoudt of wanneer de shock door een hartinfarct of een andere oorzaak die niet samenhangt met het bloedvolume wordt veroorzaakt, kan het zijn dat intraveneuze vochttoediening en een bloedtransfusie niet voldoende zijn om de shocktoestand op te heffen. Soms worden geneesmiddelen toegediend die de bloedvaten vernauwen, waardoor de bloedtoevoer naar de hersenen of het hart wordt gestimuleerd. Deze middelen mogen echter maar kort worden gebruikt omdat ze de bloedtoevoer naar andere weefsels in het lichaam kunnen beperken.

Wanneer de shock door onvoldoende pompwerking van het hart wordt veroorzaakt, wordt geprobeerd de hartwerking te bevorderen door de frequentie te normaliseren, eventuele ritmestoornissen op te heffen en indien nodig het bloedvolume te vergroten. Een te trage hartslag kan worden versneld met behulp van atropine, terwijl het contractievermogen van de hartspier met andere middelen kan worden versterkt.

Bij patiënten met een hartinfarct bij wie de shocktoestand na spoedbehandeling aanhoudt, kan een ballonpomp in de aorta worden geplaatst om de shock tijdelijk tegen te gaan. Hierna kan het nodig zijn met spoed een percutane transluminale coronairangioplastiek (PTCA of ‘dotteren') of een coronaire bypass (‘omleiding') uit te voeren (Coronaire bypassoperatie). Met een spoed-PTCA kan een verstopte kransslagader (een van de slagaders die de hartspier van bloed voorzien) weer worden geopend, zodat de pompwerking van het hart verbetert en de shocktoestand kan worden opgeheven. In plaats van een spoed-PTCA worden soms ook zo snel mogelijk geneesmiddelen toegediend die bloedstolsels kunnen oplossen (trombolytica).

Als de shock door een slecht werkende hartklep of scheuring van de tussenwand van het hart wordt veroorzaakt, kan een operatieve ingreep ook nodig zijn.

Een shock veroorzaakt door overmatige verwijding van de bloedvaten wordt in eerste instantie behandeld met geneesmiddelen die de bloedvaten doen samentrekken. Ook de oorzaak van de overmatige vaatverwijding wordt aangepakt. Een bacteriële infectie wordt bijvoorbeeld behandeld met antibiotica.

Last full review/revision February 2003

Back to Top

Previous: Symptomen en diagnose

Next: Introductie

Figures
Tables
Disclaimer