THE MERCK MANUAL MEDICAL LIBRARY: The Merck Manual of Medical Information--Home Edition
Tips for better results

Section

Subject

Topics

Introductie

Van alle vormen van kanker is longkanker de meest voorkomende doodsoorzaak bij mannen en de tweede doodsoorzaak bij vrouwen. Het aantal sterfgevallen door longkanker neemt toe doordat het aantal rokers toegenomen is. In 2002 zijn in Nederland 6388 mannen en 2532 vrouwen aan longkanker overleden. Dit aantal komt overeen met ongeveer 24% van alle sterfgevallen door kanker.

Longkanker die in de cellen van de longen ontstaat, wordt ‘primaire longkanker' genoemd. Kankercellen kunnen echter ook vanuit andere organen naar de longen uitzaaien (metastaseren). Longmetastasen zijn meestal afkomstig van tumoren in borst, dikke darm, prostaat, nier, schildklier, maag, baarmoederhals, endeldarm, zaadbal, botten en de huid (melanoom).

Meer dan 90% van de primaire longtumoren ontstaat in de bronchiën (de grote aftakkingen van de luchtpijp waarlangs lucht naar de longen wordt gevoerd). Deze tumoren worden ‘bronchuscarcinomen' genoemd. Men onderscheidt kleincellig carcinoom (ook wel ‘havercelcarcinoom' genoemd), plaveiselcelcarcinoom, grootcellig carcinoom en adenocarcinoom. De laatste drie typen longkanker worden vaak ‘niet-kleincellig longcarcinoom' genoemd.

Het alveolaire-celcarcinoom (een subtype van het adenocarcinoom) ontstaat in de longblaasjes (alveoli). Het alveolaire-celcarcinoom kan op één plaats voorkomen, maar ontstaat vaak in de long op meerdere plaatsen tegelijk.

Tumoren die minder vaak voorkomen, zijn bronchuscarcinoïd (dat zowel goed- als kwaadaardig kan zijn), chondromateus hamartoom (goedaardig) en sarcoom (kwaadaardig). Lymfoom is een vorm van kanker van het lymfestelsel die in de longen kan ontstaan, maar zich ook daar naartoe kan verspreiden.

illustrative-material.figure-short 1

Aantallen sterfgevallen door longkanker

Aantallen sterfgevallen door longkanker

Van alle vormen van kanker is longkanker de meest voorkomende doodsoorzaak bij mannen en een belangrijke doodsoorzaak bij vrouwen. Het aantal sterfgevallen door longkanker neemt toe doordat het aantal rokers toegenomen is. Naar verwachting zullen in 2001 meer dan 157.000 mensen aan longkanker overlijden, ongeveer 90.000 mannen en 67.000 vrouwen. Dit aantal komt overeen met ongeveer 28% van alle sterfgevallen door kanker.

Oorzaken

Bij ongeveer 90% van de mannen en 80% van de vrouwen met longkanker is het roken van sigaretten de oorzaak. Hoe meer en hoe langer er gerookt wordt, des te groter het risico van longkanker. Ongeveer 10 tot 12% van alle rokers krijgt uiteindelijk longkanker.

Een klein aantal van de gevallen van longkanker (ongeveer 10% bij mannen en ongeveer 5% bij vrouwen) wordt veroorzaakt door stoffen waarmee men op het werk in aanraking komt of die men daar inademt. Werken met asbest, straling, arsenicum, chroomverbindingen, nikkel, chloormethylethers, mosterdgas en uitstoot van cokesovens is in verband gebracht met longkanker. Mensen die aan deze stoffen worden blootgesteld en ook sigaretten roken lopen een nog groter risico van longkanker. Luchtvervuiling veroorzaakt ongeveer 1% van de gevallen van longkanker. Blootstelling aan radongas binnenshuis is de oorzaak van longkanker in minder dan 1% van de gevallen. Sporadisch ontstaat longkanker, vooral adenocarcinoom en alveolaire-celcarcinoom, bij patiënten bij wie ten gevolge van andere aandoeningen, zoals tuberculose en fibrose, littekenvorming in de longen is opgetreden.

Symptomen en complicaties

De symptomen van longkanker zijn afhankelijk van het type, de plaats en van de wijze waarop de tumor uitzaait. Het eerste en meest voorkomende symptoom is meestal een aanhoudende hoest. Patiënten met chronische bronchitis bij wie longkanker ontstaat, merken vaak dat het hoesten verergert. Opgehoest sputum kan bloed bevatten (dit wordt ‘hemoptoë' genoemd (see Hemoptoë)). Als een longtumor in onderliggende bloedvaten ingroeit, kunnen er ernstige bloedingen ontstaan.

Longkanker kan piepen op de borst veroorzaken doordat de bronchus waar de tumor in of omheen groeit, wordt dichtgedrukt. Door afsluiting van een bronchus kan het deel van de long dat via de betreffende bronchus van lucht wordt voorzien, inzakken (atelectase (see Atelectase)). Andere gevolgen van een afgesloten bronchus zijn kortademigheid en pneumonie met hoesten, koorts en pijn in de borst. Als de tumor in de borstwand ingroeit, kan dit aanhoudende pijn in de borst veroorzaken.

Longkanker kan in bepaalde zenuwen in de hals ingroeien, waardoor een afhangend ooglid, verkleining van de pupil, een naar achteren verplaatste oogbol en verminderde zweetafscheiding van één gezichtshelft ontstaan. Deze symptomen staan bekend als het ‘syndroom van Horner' (see Aandoeningen van de hersenzenuwenFigures). Een tumor in een longtop kan in de zenuwen ingroeien die naar de arm lopen, waardoor pijn en een dof gevoel ontstaan en de arm verslapt. Deze aandoening wordt ‘Pancoast-syndroom' genoemd. Ook zenuwen naar de stembanden kunnen worden aangetast, met heesheid als gevolg. Deze beschadiging ontstaat voornamelijk bij patiënten met een tumor in de linker long.

Longkanker kan direct in de slokdarm ingroeien of er van de buitenkant tegenaan drukken, waardoor slikproblemen ontstaan. Soms ontstaat door ingroei van de tumor een abnormale verbinding (fistel) tussen de slokdarm en de bronchi. Hierdoor ontstaan tijdens het slikken hevige hoestbuien doordat er voedsel en vocht in de longen terechtkomen.

Een longtumor kan in het hart ingroeien. Hierdoor kunnen hartritmestoornissen, afsluiting van de bloedstroom door de hartspier of vochtophoping in het hartzakje (pericard) ontstaan. De tumor kan in de vena cava superior (een van de grote aderen in de borstholte) ingroeien of deze samendrukken; deze aandoening wordt het ‘vena-cava-superior-syndroom' genoemd. Door (gedeeltelijke) afsluiting van deze ader kan het bloed in andere aders van het bovenlichaam niet goed wegstromen (stuwing). Als gevolg hiervan zetten de aders in de borstwand uit. Gezicht, hals, nek en het bovenste gedeelte van de borst, inclusief de borsten, zetten op en krijgen een paarse kleur. Ook ontstaan kortademigheid, hoofdpijn, gezichtsstoornissen, duizeligheid en sufheid. Deze symptomen verergeren meestal wanneer de patiënt bukt of gaat liggen.

Symptomen van longkanker die zich meestal pas in een later stadium voordoen, zijn slechte eetlust, gewichtsverlies, vermoeidheid en zwakte. Er ontstaat vochtophoping rond de longen (pleura-effusie (see Pleura-effusie)) wanneer de tumor zich heeft uitgebreid tot in de pleuraholte. Dit kan kortademigheid veroorzaken. Ernstige kortademigheid, een lage zuurstofconcentratie in het bloed en cor pulmonale (see Pulmonale hypertensieSidebar) kunnen ontstaan als de tumor zich binnen de longen uitbreidt.

Longkanker kan ook via de bloedstroom uitzaaien naar de lever, de hersenen, de bijnieren, het ruggenmerg en de botten, en in mindere mate naar andere delen van het lichaam. Longkanker kan al in een vroeg stadium uitzaaien, vooral bij kleincellig longcarcinoom. Symptomen als hoofdpijn, verwardheid, epileptische aanvallen en botpijn kunnen optreden voordat zich problemen in de longen voordoen, waardoor het moeilijk is om al in een vroeg stadium een diagnose te stellen.

Paraneoplastische syndromen (see Symptomen en diagnostiek bij kankerSidebar) bestaan uit gevolgen van longkanker die geen invloed op de longfunctie hebben, zoals stoornissen in de stofwisseling, zenuwen en spieren. Deze syndromen zijn niet gerelateerd aan de omvang of plaats van de longtumor. Ze zijn niet noodzakelijkerwijs het gevolg van uitzaaiingen buiten de borstholte, maar eerder van bepaalde stoffen die door de tumor worden afgescheiden (zoals hormonen, cytokinen en een reeks andere eiwitten).

Diagnose

De arts onderzoekt de patiënt (vooral als het een roker betreft) op longkanker wanneer deze voortdurend of in toenemende mate moet hoesten of andere longsymptomen vertoont (zoals kortademigheid of het ophoesten van met bloed vermengd sputum). Soms is een schaduw op een thoraxfoto de eerste aanwijzing voor longkanker bij iemand die verder geen symptomen heeft, al is een schaduw geen bewijs voor kanker. De meeste longtumoren zijn op een thoraxfoto zichtbaar, hoewel soms kleine tumoren kunnen worden gemist.

Het is mogelijk dat bij computertomografie (CT-scan) kleine knobbeltjes zichtbaar zijn die niet op een thoraxfoto te zien zijn. Op een CT-scan is ook te zien of de lymfeklieren vergroot zijn. Meestal is een biopsie (afname van een stukje weefsel) van een lymfeklier nodig om vast te stellen of de vergroting een gevolg is van een ontsteking of van kanker.

De diagnose moet in de regel worden bevestigd door microscopisch onderzoek van longweefsel. Soms levert opgehoest sputum voldoende materiaal op voor onderzoek (sputumcytologie). Er kan een bronchoscopie worden verricht om dat weefsel te verkrijgen (Thoracoscopie). Als de tumor zo diep in de longen zit dat de bronchoscoop er niet bij kan, neemt de arts meestal een weefselmonster door een naald door de huid in te brengen onder geleide van een CT-scan. Deze ingreep wordt een ‘naaldbiopsie' genoemd. Soms kan er alleen maar langs operatieve weg een weefselmonster worden verkregen (thoracotomie (Thoracotomie)).

Er kan een CT-scan van de buik of het hoofd worden gemaakt om vast te stellen of de tumor uitgezaaid is, in het bijzonder naar de lever, de bijnieren of de hersenen. Op een botscan is te zien of er sprake is van uitzaaiingen naar de botten. Omdat een kleincellig longcarcinoom bij voorkeur naar het beenmerg uitzaait, wordt soms een beenmergbiopsie uitgevoerd. Nieuwe technieken, zoals positronemissietomografie (PET-scan) en een spiraal-CT (een bepaald type CT-scan) zijn veelbelovende mogelijkheden voor het opsporen van kleine tumoren.

Tumoren worden ingedeeld naar grootte, op eventuele uitzaaiingen naar nabijgelegen lymfeklieren en op eventuele uitzaaiingen naar verder gelegen organen (stagering). De verschillende categorieën worden ‘stadia' genoemd (see Diagnostisch onderzoek en stagering). Op basis van de stagering van de tumor kan de beste behandeling worden vastgesteld en de prognose worden ingeschat.

Screening en preventie

Periodiek onderzoek (screening) op longkanker met thoraxfoto's en sputumonderzoek wordt momenteel nog niet voor iedereen aanbevolen. Bij mensen met een verhoogd risico van longkanker is een jaarlijkse thoraxfoto of CT-scan echter een mogelijkheid om longkanker te ontdekken voordat de tumor is uitgezaaid.

Preventie van longkanker omvat onder meer stoppen met roken en vermijden van blootstelling aan mogelijk kankerverwekkende stoffen op het werk.

Behandeling

Niet-kwaadaardige bronchustumoren (met inbegrip van carcinoïdtumoren en chondromateuze hamartomen) worden meestal operatief verwijderd omdat ze de bronchiën kunnen afsluiten en soms na verloop van tijd kwaadaardig kunnen worden. Vaak kan pas achteraf, na verwijdering en microscopisch onderzoek, worden vastgesteld dat een dergelijke tumor kwaadaardig is.

Operatie: Een operatie is de behandeling die de voorkeur verdient bij een longtumor die niet tot buiten de long is uitgebreid. Bij kleincellig longcarcinoom is een operatie echter niet zinvol. Ouderen mogen niet uitsluitend op grond van hun leeftijd van een operatie worden uitgesloten. Een operatie is mogelijk uitgesloten als de tumor zich tot buiten de longen heeft uitgebreid, als de tumor te dicht tegen de luchtpijp ligt of als de patiënt andere ernstige aandoeningen heeft (bijvoorbeeld een ernstige hart- of longziekte).

Voorafgaand aan de operatie wordt de longfunctie getest om vast te stellen of er na de operatie voldoende functionerend longweefsel overblijft. Als uit dit onderzoek blijkt dat er na verwijdering van de tumor te weinig functionerend longweefsel overblijft, is opereren niet mogelijk. Tijdens de operatie wordt besloten hoeveel longweefsel moet worden verwijderd. Dit kan variëren van een klein gedeelte van een longsegment tot een gehele long.

Hoewel 10 tot 35% van de tumoren operatief kan worden verwijderd, geneest de patiënt niet altijd na een dergelijke operatie. Van de patiënten bij wie een geïsoleerde, langzaam groeiende tumor is verwijderd, is na vijf jaar nog 25 tot 40% in leven. Enkele patiënten met niet-kleincellig longcarcinoom in een vroeg stadium hebben een kans van 60 tot 70% dat ze na vijf jaar nog in leven zijn. De patiënten overlijden meestal aan een recidief van de tumor in de long of elders in het lichaam. Sommige patiënten overlijden aan een andere aandoening, zoals chronische obstructieve longziekte, coronaire hartziekte of een nieuwe tumor. De overlevenden moeten regelmatig worden gecontroleerd met onder meer periodiek thoraxfoto's en CT-scans.

Soms is het mogelijk een tumor die naar de longen is uitgezaaid (bijvoorbeeld vanuit de dikke darm), uit de longen te verwijderen nadat de primaire tumor is weggenomen. Deze ingreep wordt zelden aangeraden en wordt pas uitgevoerd nadat uit onderzoek gebleken is dat de tumor uitsluitend naar de longen is uitgezaaid. Ongeveer 10% van de patiënten die dit type operatie ondergaat, blijft nog vijf jaar of langer in leven.

Recente ontwikkelingen bij de behandeling van niet-kleincellig longcarcinoom zijn onder meer chemotherapie en radiotherapie voor, na of in plaats van operatieve verwijdering van de tumor bij sommige patiënten bij wie de tumor tot de long beperkt is gebleven.

Radiotherapie: Radiotherapie is een behandelmogelijkheid voor patiënten die een operatie weigeren, die vanwege een andere aandoening (bijvoorbeeld een ernstige kransslagaderziekte) niet kunnen worden geopereerd of bij wie de tumor is uitgezaaid naar nabijgelegen structuren, zoals de lymfeklieren. Bij de meeste van deze patiënten leidt radiotherapie alleen maar tot gedeeltelijke verkleining van de tumor of vertraging van de tumorgroei, maar bij 10 tot 15% wordt de tumor er langdurig goed mee onder controle gehouden (remissie). De overlevingsduur van deze groep verbetert nog meer als radiotherapie met chemotherapie wordt gecombineerd. Radiotherapie is ook zinvol bij het onder controle houden van de complicaties van longkanker, zoals ophoesten van bloed, botpijn, het vena-cava-superior-syndroom en compressie van het ruggenmerg.

Chemotherapie: Chemotherapie, soms in combinatie met radiotherapie, is de behandeling die bij kleincellig longcarcinoom de voorkeur verdient, omdat de tumor bij het stellen van de diagnose vrijwel altijd al is uitgezaaid naar verder gelegen delen van het lichaam. Bij ongeveer 25% van de patiënten wordt de overlevingsduur door chemotherapie aanzienlijk verlengd. Zonder chemotherapie blijft slechts de helft van de patiënten met kleincellig longcarcinoom langer dan vier maanden in leven. Met chemotherapie wordt de overlevingsduur vier tot vijf keer zo lang. Patiënten met kleincellig longcarcinoom die goed op chemotherapie hebben gereageerd, kunnen baat hebben bij bestraling van het hoofd wanneer er sprake is van uitzaaiingen in de hersenen. Dat kan zelfs het geval zijn wanneer de uitzaaiingen nog geen klachten veroorzaken en nog niet op een CT-scan of een MRI-scan van het hoofd te zien zijn.

Bij niet-kleincellig longcarcinoom heeft alleen chemotherapie weinig effect. Bij gemetastaseerd niet-kleincellig longcarcinoom blijven sommige patiënten met chemotherapie echter aanzienlijk langer in leven dan zonder deze behandeling het geval zou zijn geweest.

Andere behandelingen: Patiënten met longkanker hebben vaak aanvullende behandelingen nodig. Omdat de longfunctie bij veel patiënten met longkanker aanzienlijk verslechtert, ongeacht of ze wel of niet worden behandeld, kunnen zuurstoftoediening (see Zuurstoftoediening) en bronchodilatatoren (luchtwegverwijders) de ademhaling vergemakkelijken. Veel patiënten met longkanker in een vergevorderd stadium hebben zoveel pijn en ademhalingsproblemen dat ze in de laatste weken of maanden voor hun overlijden hoge doses opioïden nodig hebben. Gelukkig kunnen opioïden in adequate doses aanzienlijk verlichting geven.

Prognose

De prognose bij longkanker is slecht. De gemiddelde overlevingsduur is acht maanden als de tumor niet wordt behandeld. In totaal is slechts 13% van de patiënten na vijf jaar nog in leven, ook als een behandeling is ingesteld. De prognose bij kleincellig longcarcinoom is in het algemeen slechter dan bij andere vormen van longkanker, omdat deze vorm ten tijde van de diagnose vrijwel altijd al buiten de long zijn uitgezaaid. Patiënten die longkanker overleven maar blijven roken, lopen een groot risico van een nieuwe tumor.

Omdat veel patiënten met longkanker overlijden, is gewoonlijk terminale zorg nodig. Door de ontwikkelingen op het gebied van de zorg rond het levenseinde kunnen steeds meer patiënten met een ongeneeslijke longtumor op waardige wijze in hun eigen omgeving sterve. (see Het maken van keuzes). Vooral het inzicht dat deze patiënten vaak bang zijn en pijn lijden en dat daaraan met de juiste middelen veel te doen is, draagt eraan bij.

Last full review/revision February 2003

Back to Top

Previous: Introductie

Figures
Tables
Disclaimer