THE MERCK MANUAL MEDICAL LIBRARY: The Merck Manual of Medical Information--Home Edition
Tips for better results

Section

Subject

Topics

Introductie

Pneumonie (longontsteking) is een infectie van de longblaasjes (alveoli) en het omringende weefsel.

In Nederland overlijden jaarlijks 15-30 van 100.000 inwoners aan pneumonie. Vaak is pneumonie de doodsoorzaak bij patiënten met een andere ernstige chronische aandoening. Op de lijst van voornaamste doodsoorzaken komt pneumonie op de zesde plaats. Verder is pneumonie de meest voorkomende dodelijke ziekenhuisinfectie. In ontwikkelingslanden zijn pneumonie en uitdroging door ernstige diarree de belangrijkste doodsoorzaken.

De omgeving waarin de pneumonie ontstaat, is een van de belangrijkste gegevens voor een arts. Een pneumonie kan ontstaan bij mensen die niet in een ziekenhuis of andere instelling zijn opgenomen (thuis opgelopen of community-acquired pneumonie), die in het ziekenhuis liggen of die in een instelling als een verpleeghuis wonen (nosocomiale pneumonie). Als bekend is waar de pneumonie ontstaan is, kan vaak al eenvoudiger worden vastgesteld welk micro-organisme de infectie veroorzaakt. Bij banale pneumonie is de kans bijvoorbeeld groot dat de grampositieve bacterie Streptococcus pneumoniaede oorzaak van de infectie is. Een nosocomiale pneumonie wordt vaak door Staphylococcus aureusof een gramnegatieve bacterie als Klebsiella pneumoniaeof Pseudomonas aeruginosaveroorzaakt. De ernst van de pneumonie hangt vaak samen met het micro-organisme dat de ontsteking veroorzaakt. Ook de behandelwijze (bijvoorbeeld thuis met orale tabletten of in het ziekenhuis met intraveneus toegediende geneesmiddelen) hangt daarvan af.

Een ander belangrijk punt is of de pneumonie bij een overigens gezond persoon ontstaat of bij iemand met een verzwakt afweersysteem. Het afweersysteem kan door bepaalde geneesmiddelen (zoals corticosteroïden) of bepaalde ziekten (zoals aids) worden ondermijnd. Ook kan het afweersysteem achteruitgaan door een ernstige acute of chronische aandoening, wat vaak bij ouderen het geval is. Mensen met een verzwakt afweersysteem hebben een sterker verhoogd risico van pneumonie, met inbegrip van een pneumonie die door ongebruikelijke micro-organismen wordt veroorzaakt. Deze patiënten reageren soms minder goed op behandeling dan mensen met een goed afweersysteem. Andere omstandigheden die bepaalde mensen gevoeliger maken voor pneumonie zijn alcoholisme, het roken van sigaretten, diabetes mellitus, hartfalen en chronische obstructieve longziekte. Zeer jonge kinderen en zeer oude mensen hebben een meer dan gemiddeld risico. Andere risicogroepen zijn verzwakte, bedlegerige, verlamde of bewusteloze patiënten.

illustrative-material.figure-short 1

penicilline

amoxicilline

cefalosporinen

erytromycine

azitromycine

claritromycine

fluorchinolonen

cefalosporinen (tweede en derde generatie)

amoxicilline/clavulaanzuur

azitromycine

fluorchinolonen

co-trimoxazol

erytromycine (met of zonder rifampicine)

azitromycine

fluorchinolonen

erytromycine

doxycycline

azitromycine

claritromycine

fluorchinolonen

erytromycine

doxycycline

azitromycine

claritromycine

fluorchinolonen

cefalosporinen (eerste generatie)

flucloxacilline

vancomycine

anaërobe bacteriën

clindamycine

metronidazol

imipenem

cefalosporinen (derde en vierde generatie)

aminoglycosiden

fluorchinolonen

Oorzaken

Pneumonie betreft niet een enkele, maar eerder een aantal verschillende ziekten, elk veroorzaakt door een ander micro-organisme: een bacterie, een virus of een schimmel. Een pneumonie ontstaat meestal nadat micro-organismen door inademing in de longen terecht zijn gekomen. Soms wordt de infectie echter door het bloed naar de longen gevoerd of rechtstreeks vanuit een nabijgelegen ontsteking naar de longen verspreid. Pneumonie kan na een operatie optreden, vooral na een buikoperatie, of na een verwonding (trauma), vooral bij borstletsel. De patiënt gaat dan namelijk oppervlakkig ademhalen en kan niet goed ophoesten, zodat er slijm in de longen achterblijft. Soms ontstaat pneumonie door deeltjes in de mond die worden ingeademd en niet worden verwijderd, of wanneer een obstructie (bijvoorbeeld een tumor) de bacterie tegenhoudt. De eerste vorm heet ‘aspiratiepneumonie', de tweede ‘obstructiepneumonie'.

Symptomen en diagnose

Het meest voorkomende symptoom van pneumonie is een productieve hoest (hoesten waarbij sputum wordt opgehoest). Andere veelvoorkomende symptomen zijn pijn op de borst, rillingen, koorts en kortademigheid. Deze symptomen kunnen echter variëren, afhankelijk van de mate waarin de aandoening zich heeft uitgebreid en afhankelijk van de ziekteverwekker.

Een arts of verpleegkundige onderzoekt of er sprake is van pneumonie door de longen met een stethoscoop te beluisteren. De ademhalingsgeluiden zijn bij pneumonie vaak kenmerkend en worden veroorzaakt door vernauwing van de luchtwegen of doordat normaal gesproken met lucht gevulde delen van de long gevuld raken met ontstekingscellen en vocht, een proces dat ‘consolidatie' heet.

In de meeste gevallen wordt de diagnose ‘pneumonie' met een thoraxfoto (röntgenfoto van de borstkas) bevestigd. Bij de meeste bacteriële pneumonieën ziet het aangetaste weefsel er op de röntgenfoto uit als een verdichte witte vlek (doordat de röntgenstraling er niet doorheen dringt), terwijl het omringende gezonde longweefsel er op de foto zwart uitziet (doordat de röntgenstraling hier gemakkelijk doorheen dringt en de film belicht). Bij viruspneumonieën zijn kenmerkende, vage, wijd uitwaaierende witte strepen of vlekken te zien. Sommige pneumonieën kunnen tot een longabces leiden (see Longabces), dat er op de röntgenfoto uitziet als een met vloeistof (pus) gevulde ruimte. In de longtop kunnen veranderingen zichtbaar zijn die doen denken aan tuberculose (see Introductie). Een röntgenfoto kan dus (maar dat hoeft niet altijd) aanwijzingen opleveren over de ziekteverwekker.

De arts laat sputum en bloed kweken om te achterhalen welk micro-organisme de pneumonie heeft veroorzaakt. Ondanks deze onderzoeken kan echter bij de helft van de pneumoniepatiënten niet precies worden vastgesteld welk micro-organisme de ziekteverwekker is. Wanneer het nodig is exact te weten welk micro-organisme de ziekte veroorzaakt, bijvoorbeeld bij een ernstig zieke patiënt die niet goed op de behandeling reageert, kan de arts met een bronchoscoop in de luchtwegen (bronchoscopie (see Bronchoscopie)) proberen betere monsters te verkrijgen.

Preventie en behandeling

Verscheidene vormen van pneumonie kunnen met vaccins worden voorkomen. Er zijn vaccins tegen pneumokokkenpneumonie, pneumonie veroorzaakt door de bacterie Haemophilus influenzaeen pneumonie veroorzaakt door het griepvirus, waarbij vaak ook een secundaire bacteriële pneumonie ontstaat.

Ademhalingsoefeningen en -therapie om secreet (afscheiding) te verwijderen helpen pneumonie te voorkomen bij mensen met een verhoogd risico, zoals patiënten die een thorax- of een buikoperatie hebben ondergaan of patiënten met een zwakke conditie.

Ook pneumoniepatiënten moeten hun secreet kwijt zien te raken en hebben baat bij ademhalingsoefeningen en -therapie. Pneumoniepatiënten die kortademig zijn of te weinig zuurstof in het bloed hebben, krijgen zuurstof toegediend. Hoewel rust een belangrijk onderdeel van de behandeling vormt, worden patiënten vaak gestimuleerd zich te bewegen, uit bed te komen en in een stoel te gaan zitten.

illustrative-material.sidebar 1

Preventie van bepaalde vormen van pneumonie met vaccins 

Bepaalde, maar niet alle typen pneumonie kunnen met vaccinaties worden voorkomen. Een pneumokokkenpneumonie bijvoorbeeld, veroorzaakt door Streptococcus pneumoniae, kan worden voorkomen met het pneumokokkenvaccin. Dit vaccin beschermt mensen tegen ernstige pneumokokkeninfecties. De bescherming door vaccinatie kan levenslang aanhouden, maar voor mensen met het grootste risico wordt aanbevolen de vaccinatie om de vijf jaar te herhalen. De injectieplaats is vaak tijdelijk pijnlijk. Koorts en spierpijn na vaccinatie komenslechts bij 1% van de gevaccineerden voor en minder dan 1% krijgt een ernstige allergische reactie. Dit vaccin mag niet aan zwangere vrouwen worden gegeven.Pneumonie door type-b-stammen van Haemophilus influenzaekan worden voorkomen met het vaccin tegen Haemophilus influenzaetype b. Aangeraden wordt alle kinderen hiermee te vaccineren. Het vaccin wordt in drie keer toegediend op de leeftijd van 2, 4 en 6 maanden.Pneumonie door het influenzavirus kan worden voorkomen met het influenzavaccin (het griepvaccin). Werknemers in de gezondheidszorg, ouderen en patiënten met chronische aandoeningen als COPD, diabetes mellitus, hart- en nierziekten wordt aangeraden zich jaarlijks tegen griep te laten vaccineren. Vaccinatie dient elk jaar in de herfst plaats te vinden (van september tot en met november), zodat de hoeveelheid antilichamen tijdens het griepseizoen (november tot en met maart) het grootst is. Elk jaar wordt er een nieuw vaccin ontwikkeld, afgestemd op de virusstammen die dat jaar zeer waarschijnlijk griep zullen veroorzaken.

Wanneer aan een bacteriële pneumonie (met inbegrip van obstructiepneumonie) wordt gedacht, wordt gewoonlijk met antibiotica gestart, ook als nog niet bekend is om welke bacterie het gaat. Door onmiddellijk met antibiotica te beginnen bestaat de kans dat de pneumonie minder ernstig verloopt en kan het risico van complicaties, die soms tot de dood leiden, worden verkleind.

Bij de keuze van een antibioticum weegt de arts af welke bacterie de vermoedelijke oorzaak is. Naderhand, wanneer is vastgesteld om welke bacterie het gaat en voor welke antibiotica deze gevoelig is, kan worden overgestapt op een ander antibioticum. Vaak kunnen pneumoniepatiënten die niet erg ziek zijn, antibiotica via de mond (oraal) innemen en thuis herstellen. Ouderen en patiënten die kortademig zijn of al een hart- of longziekte hebben, worden meestal opgenomen en krijgen om te beginnen intraveneus antibiotica toegediend. Na een paar dagen wordt gewoonlijk overgestapt op orale antibiotica. Daarnaast kan bij deze patiënten zuurstoftoediening, intraveneuze vochttoediening of beademing nodig zijn (see Behandeling).

Antibiotica werken niet bij viruspneumonieën. Antibiotica worden echter wel gegeven bij viruspneumonieën waarbij het risico van een bacteriële pneumonie bestaat. Voorbeelden hiervan zijn infecties met het respiratoir syncytieel virus bij zuigelingen en soms infecties met het griepvirus, in ieder geval bij patiënten die erg vatbaar zijn voor pneumonie.

Last full review/revision February 2003

Back to Top

Previous: Introductie

Next: Thuis opgelopen (community‑acquired) pneumonie

Figures
Tables
Disclaimer