THE MERCK MANUAL MEDICAL LIBRARY: The Merck Manual of Medical Information--Home Edition
Tips for better results

Section

Subject

Topics

Diagnose

Op basis van de medische voorgeschiedenis (anamnese) en lichamelijk onderzoek kan de arts gewoonlijk vaststellen of er sprake is van een longziekte. Diagnostische onderzoeken worden gebruikt om de diagnose te bevestigen, de uitgebreidheid en de ernst van de ziekte vast te stellen en een behandelplan op te stellen.

Medische voorgeschiedenis (anamnese) en lichamelijk onderzoek

De arts begint met naar de symptomen te vragen. Pijn op de borst, kortademigheid (dyspneu), hoesten, bloed ophoesten (hemoptoë), een fluitende ademhaling (wheezing) en een gierend geluid tijdens de ademhaling (stridor) wijzen op een aandoening van de longen of de luchtwegen. Andere, algemenere symptomen, zoals koorts, zwakte, vermoeidheid en een algemeen gevoel van ziekzijn of ongemak (malaise), kunnen eveneens op een aandoening van de longen of de luchtwegen duiden.

Vervolgens zal de arts vragen naar eerdere infecties of blootstelling aan chemische stoffen, het gebruik van medicijnen, alcohol, drugs en tabak, de woon- en werkomgeving, reizen en de vrijetijdsbesteding. Ook wordt gevraagd of er familieleden zijn die een aandoening van de longen of de luchtwegen hebben doorgemaakt of een andere ziekte die de longen of de luchtwegen kan aantasten.

Tijdens het lichamelijk onderzoek let de arts op het gewicht en de totale indruk. Ook wordt gekeken naar de algehele stemming en het gevoel van welbevinden van de patiënt, aangezien deze ook door een long- of luchtwegaandoening kunnen worden beïnvloed. De arts kan de patiënt vragen een stukje te lopen of een trap op te lopen om te zien of daarbij kortademigheid optreedt.

De huidkleur is belangrijk omdat een opvallend bleke of blauwachtige teint kan duiden op bloedarmoede (anemie) of een slechte doorbloeding. Deze bevindingen kunnen erop wijzen dat de huid vanuit het bloed onvoldoende zuurstof krijgt aangevoerd als gevolg van een long- of luchtwegaandoening. Ook wordt gekeken of er sprake is van trommelstokvingers.

De borstkas wordt onderzocht om na te gaan of de ademfrequentie en de ademhalingsbewegingen normaal zijn. Door op de borstkas te kloppen (percussie) stelt de arts vast of de longen gevuld zijn met lucht (normaal) of met vocht (afwijkend). Met een stethoscoop luistert de arts naar het geluid van de ademhaling om te horen of de lucht ongehinderd naar binnen en naar buiten kan stromen en of zich vocht in de longen bevindt als gevolg van ademhalingsinsufficiëntie of longontsteking. Als aanvulling op het onderzoek van de borstkas is mogelijk een volledig lichamelijk onderzoek nodig. Veel aandoeningen die niets met de longen te maken hebben, gaan in eerste instantie namelijk gepaard met verschijnselen die doen denken aan een longprobleem (pleuravocht bijvoorbeeld kan het gevolg zijn van uitzaaiingen van een tumor in de buik).

Longfunctieonderzoek

Longfunctieonderzoeken zijn ontwikkeld om nauwkeurig vast te stellen hoe goed de longen functioneren. Elk onderzoek richt zich op een ander aspect van de longfunctie.

Met één bepaald type onderzoeken, de longfunctiemetingen, wordt bepaald hoeveel lucht de longen kunnen bevatten, en hoe goed ze in staat zijn lucht in en uit te laten stromen en zuurstof en kooldioxide uit te wisselen. Deze onderzoeken zijn meer geschikt voor bepaling van het type en de ernst van de longafwijking dan van de specifieke oorzaak van de problemen. Sommige ziekten, met inbegrip van astma, kunnen hier echter wel mee worden vastgesteld. Bij longfunctiemetingen worden de volgende waarden bepaald: het longvolume en de luchtstroomwaarden, de verhouding van deze twee metingen ten opzichte van elkaar (de flow-volume-curve), de spierkracht en de diffusiecapaciteit.

Bepaling van het longvolume en de luchtstroomwaarden: bij onderzoek naar een aandoening van de luchtwegen wordt vaak bepaald hoeveel lucht de longen kunnen bevatten en hoeveel en hoe snel lucht kan worden uitgeademd. Deze bepalingen worden uitgevoerd met een spirometer, een registratieapparaat met een slang en een mondstuk. De patiënt ademt diep in en ademt vervolgens zo krachtig en snel mogelijk via de slang uit. Hierbij worden metingen verricht. Het volume in- of uitgeademde lucht en de tijdsduur van iedere ademhaling worden geregistreerd en geanalyseerd. Dit onderzoek wordt vaak herhaald nadat de patiënt een middel heeft ingenomen dat de luchtwegen verwijdt (bronchodilatans).

De piekstroommeter is een eenvoudiger apparaat waarmee de uitademingssnelheid kan worden bepaald. Na diep ingeademd te hebben, blaast de patiënt zo hard mogelijk in de piekstroommeter. Met deze kleine, goedkope handmeter kunnen patiënten met astma of een andere aandoening van de luchtwegen thuis zelf het verloop van hun ziekte en het effect van de behandeling volgen.

Longvolumemetingen geven primair de longinhoud weer en zijn verder een indicatie voor de stugheid of rekbaarheid van de longen en de borstkas, en voor de kracht van de ademhalingsspieren. De gemeten waarden zijn abnormaal laag bij aandoeningen als longfibrose en een gekromde wervelkolom (scoliose), maar ook bij een reeks neuromusculaire aandoeningen als myasthenia gravis (see Myasthenia gravis) en het syndroom van Guillain-Barré (see Syndroom van Guillain-Barré) waarbij het middenrif en andere ademhalingsspieren verzwakt zijn.

Luchtstroommetingen geven de mate van vernauwing of obstructie van de luchtwegen weer. De gemeten waarden zijn afwijkend bij obstructieve ziekten als bronchitis, longemfyseem en astma.

illustrative-material.figure-short 2

Het gebruik van een spirometer

Het gebruik van een spirometer

Een spirometer bestaat uit een mondstuk, een slang en een registratieapparaat. De patiënt ademt diep in en ademt vervolgens zo krachtig en snel mogelijk via de slang uit. Het registratieapparaat meet het volume en de tijdsduur van iedere in- en uitademing.

Bepaling van het luchtstroomvolume: met de meeste moderne spirometers kunnen het longvolume en de luchtstroomwaarden tijdens een geforceerde ademhaling continu worden gemeten. Deze luchtstroomwaarden zijn ook van belang bij het onderzoek naar afwijkingen waarbij het strottenhoofd (larynx) en de luchtpijp (trachea) gedeeltelijk zijn afgesloten.

Bepaling van de spierkracht: de kracht van de ademhalingsspieren kan worden gemeten door de patiënt krachtig tegen een drukmeter in te laten in- en uitademen. Bij een ziekte die de spierkracht aantast, zoals spierdystrofie, verloopt de ademhaling moeizamer en daalt de in- en uitademingsdruk. Met een dergelijk onderzoek kan ook beter worden voorspeld of een patiënt die wordt beademd zelfstandig kan ademhalen als de beademingsmachine wordt afgekoppeld.

Bepaling van de diffusiecapaciteit: door de diffusiecapaciteit te onderzoeken, kan worden geschat hoe efficiënt de zuurstof uit de longblaasjes (alveoli) in het bloed wordt opgenomen. De diffusiecapaciteit voor zuurstof is moeilijk direct vast te stellen. Daarom moet de patiënt een kleine hoeveelheid koolmonoxide inhaleren, de adem tien seconden inhouden en vervolgens in een koolmonoxidedetector uitademen.

Als het onderzoek uitwijst dat koolmonoxide niet goed wordt opgenomen, wordt ook zuurstof niet normaal uit de longen in het bloed opgenomen. Een afwijkende diffusiecapaciteit is kenmerkend voor patiënten met longfibrose, longemfyseem en ziekten waarbij de bloedvaten van de longen zijn aangetast.

Slaaponderzoek

Normaal gesproken verloopt de ademhaling automatisch en wordt geregeld door centra in de hersenen die reageren op de zuurstof- en kooldioxideconcentraties in het bloed. Als deze automatische besturing niet goed functioneert, kan de ademhaling gedurende langere tijd stoppen, vooral tijdens het slapen. Deze aandoening wordt ‘slaapapneu' genoemd (see Slaapapneu). Het onderzoek naar slaapapneu bestaat uit meting van de hersenactiviteit (met een elektro-encefalogram, EEG), de zuurstofconcentratie van het bloed (met oxymetrie, waarbij een elektrode aan een vinger of een oorlel wordt geklemd), de luchtstroom tijdens de ademhaling (met een apparaatje in een van de neusgaten) en de beweging van de borstwand. De combinatie van al deze metingen als onderdeel van één test heet een ‘polysomnogram'.

Arteriële bloedgasanalyse

Bij arteriële bloedgasanalyse worden de zuurstof- en kooldioxideconcentraties van slagaderlijk bloed bepaald. Voor dit onderzoek kan geen bloed uit een ader worden gebruikt. De afname van bloed uit een slagader vereist speciale vaardigheden en kan voor de patiënt een paar minuten ongemak betekenen. Gewoonlijk wordt het monster uit de polsslagader (arteria radialis) afgenomen. De zuurstof- en kooldioxideconcentraties vormen belangrijke aanwijzingen voor de longfunctie omdat ze weergeven hoe goed de longen zuurstof in het bloed brengen en er kooldioxide uit halen.

De zuurstofconcentratie kan continu worden bewaakt met een elektrode bevestigd aan een vinger of een oorlel. Deze procedure heet ‘oxymetrie'. Wanneer iemand ernstig ziek is of wanneer de arts ook de kooldioxideconcentratie en de zuurgraad van het bloed moet weten, is een bloedmonster uit een slagader nodig.

Beeldvorming van de borstholte

Een thoraxfoto wordt doorgaans van achteren naar voren gemaakt, maar soms is er een aanvullende foto van de zijkant nodig. Op een thoraxfoto zijn de omtrek van het hart en de grote bloedvaten duidelijk zichtbaar en is een ernstige aandoening van de longen, de aangrenzende ruimten en de borstwand, inclusief de ribben, meestal waarneembaar. Op een longfoto zijn bijvoorbeeld een longontsteking, longtumoren, emfyseem, een ingeklapte long (pneumothorax) en lucht of vocht in de pleuraholte (respectievelijk pneumothorax en pleura-effusie) duidelijk te zien. Hoewel de exacte oorzaak van een afwijking zelden aan de hand van longfoto's kan worden vastgesteld, leveren ze wel voldoende informatie op om te kunnen bepalen welke verdere onderzoeken er voor het stellen van een diagnose nodig zijn.

Computertomografie (CT-scan) van de borst levert gedetailleerdere informatie op dan een gewone röntgenfoto. Bij een CT-scan wordt een reeks röntgenfoto's geanalyseerd door een computer, die vervolgens een aantal dwarsdoorsneden levert. Tijdens de CT-scan kan er een röntgenologisch zichtbare kleurstof in de bloedbaan worden ingespoten of via de mond worden toegediend, zodat bepaalde afwijkingen in de borstholte duidelijker zichtbaar zijn.

Ook magnetische kernspinresonantie (MRI) levert zeer gedetailleerde afbeeldingen op die vooral van nut zijn bij vermoede vaatafwijkingen in de borstholte, zoals een aorta-aneurysma. Anders dan bij een CT-scan wordt bij MRI geen straling gebruikt.

Bij echografie zorgt de terugkaatsing van ultrageluidsgolven in het lichaam voor een beeld op een monitor. Echografie wordt vaak toegepast om vocht in de pleuraholte vast te stellen (de pleuraholte is de ruimte tussen de twee pleurabladen die de long en de binnenkant van de borstwand bedekken). Echografie kan ook worden gebruikt als visueel hulpmiddel wanneer met een naald het pleuravocht wordt weggezogen.

Bij longscintigrafie worden met minieme hoeveelheden radioactief materiaal met een korte halfwaardetijd de lucht- en bloedstroom door de longen weergegeven. Dit onderzoek verloopt gewoonlijk in twee fasen. In de eerste fase (de longventilatiescan) wordt een radioactief gas ingeademd en wordt met een scanner een afbeelding gemaakt van de manier waarop dit gas zich in de luchtwegen en de longblaasjes verspreidt. Tijdens de tweede fase (de longperfusiescan) wordt een radioactieve stof in een ader geïnjecteerd, waarna de scanner weergeeft hoe deze stof zich in de bloedvaten van de longen verspreidt. Dit type beeldvorming is vooral geschikt voor het opsporen van bloedstolsels in de longen (longembolieën). De techniek kan ook worden toegepast bij preoperatief onderzoek van patiënten met longkanker.

Angiografie is een methode om de bloedtoevoer naar de longen zeer nauwkeurig in beeld te brengen. Een röntgenologisch zichtbare kleurstof wordt in een bloedvat geïnjecteerd, waarna opnamen worden gemaakt van de long slag)aders. Angiografie wordt het meest toegepast bij een vermoeden van longembolie en dan vaak op basis van afwijkingen op een longscan. Pulmonalisangiografie wordt als het definitieve onderzoek beschouwd om een longembolie aan te tonen of uit te sluiten.

Positronemissietomografie (PET)

Positronemissietomografie (PET) is een röntgentechniek waarbij wordt gebruikgemaakt van de verschillen in stofwisselingssnelheid tussen kwaadaardige (kanker) en goedaardige weefsels. Dit onderzoek kan worden toegepast wanneer er een vermoeden van kanker bestaat. Glucosemoleculen worden voorzien van een merkstof en vervolgens in een ader geïnjecteerd. Deze moleculen hopen zich op in weefsel met een snelle stofwisseling (zoals kwaadaardige lymfeklieren) en worden met de PET-scanner opgespoord. In goedaardige gezwellen is gewoonlijk te weinig activiteit aanwezig om te kunnen worden gemeten.

Thoracocentese

Bij thoracocentese wordt vocht dat zich in de pleuraholte heeft opgehoopt (pleura-effusie (see Pleura-effusie)) via een naald verwijderd om te worden onderzocht. De twee belangrijkste redenen voor een thoracocentese zijn verlichting van kortademigheid ten gevolge van samengedrukt longweefsel of het verkrijgen van een vloeistofmonster voor diagnostisch onderzoek.

Tijdens de ingreep zit de patiënt zo comfortabel mogelijk en leunt voorover, waarbij de armen worden ondersteund. Een klein stukje huid op de rug wordt gedesinfecteerd en plaatselijk verdoofd. Vervolgens wordt tussen twee ribben door een naald ingebracht en met een spuit vocht opgezogen. Soms wordt de naald onder geleide van echografie ingebracht. Het vocht wordt onderzocht op de chemische samenstelling en de aanwezigheid van bacteriën of kankercellen.

Als zich veel vocht heeft opgehoopt, kan dat via een plastic katheter worden verwijderd. Tijdens thoracocentese kunnen er ook stoffen als doxycycline (een van tetracycline afgeleid antibioticum) in de pleuraholte worden ingebracht om een nieuwe ophoping van vocht te voorkomen.

Het risico van complicaties tijdens en na thoracocentese is klein. Soms kan het voorkomen dat de patiënt wat pijn voelt wanneer de long zich met lucht vult en tegen de borstwand drukt. Ook kan de patiënt zich korte tijd wat licht in het hoofd voelen en kortademig zijn. Andere mogelijke complicaties zijn het aanprikken van de long met luchtlekkage naar de pleuraholte (pneumothorax), een bloeding in de pleuraholte of de borstwand, flauwvallen, infectie en aanprikken van de lever of de milt. Een zeer zeldzame complicatie is dat er per ongeluk lucht in de bloedbaan komt (luchtembolie). Na de ingreep wordt een thoraxfoto gemaakt om te controleren of er geen complicaties zijn opgetreden.

Naaldbiopsie van de pleura of de long

Als met thoracocentese de oorzaak van pleura-effusie niet aan het licht wordt gebracht, kan de arts een pleurabiopsie verrichten. Eerst wordt net als bij thoracocentese de huid verdoofd. Vervolgens wordt met een grotere naald een klein stukje pleuraweefsel weggenomen. Dit wordt voor onderzoek op kanker of tuberculose naar het laboratorium opgestuurd. In ongeveer 85 tot 90% van de gevallen wordt de diagnose van deze ziekten aan de hand van een open pleurabiopsie door middel van thoracoscopie gesteld.

Als er uit een longtumor een weefselmonster moet worden genomen, kan de arts een naaldbiopsie uitvoeren. Eerst wordt de huid verdoofd. Vervolgens brengt de arts, vaak onder geleide van een CT-scan van de borst, een biopsienaald in de tumor en neemt daarmee cellen of een klein stukje weefsel weg voor laboratoriumonderzoek. Weefsel kan ook op kweek worden gezet als er een verdenking van een longinfectie bestaat. De mogelijke complicaties van pleura- en longbiopsieën zijn gelijk aan die bij thoracocentese.

Bronchoscopie

illustrative-material.figure-short 3

Wat is een bronchoscopie?

Wat is een bronchoscopie?

Om de luchtwegen direct in beeld te brengen wordt een flexibele glasvezelbuis (bronchoscoop) via een neusgat van de patiënt in de luchtwegen ingebracht. De ronde inzet is een weergave van wat de arts ziet.

Bronchoscopie is de rechtstreekse inspectie van het strottenhoofd (larynx) en de luchtwegen via een buigzame kijkbuis (een bronchoscoop). Aan het uiteinde van de bronchoscoop is een lampje bevestigd zodat er via de grote luchtwegen (de bronchiën) in de longen kan worden gekeken.

Met behulp van bronchoscopie kan de arts proberen een diagnose te stellen en kunnen bepaalde aandoeningen worden behandeld. Met een flexibele bronchoscoop kunnen secreet (afscheidingsproducten), bloed, pus en lichaamsvreemde voorwerpen worden verwijderd. Tevens kunnen er medicijnen in een specifiek gebied van de longen worden ingebracht en kan de plaats van een bloeding worden opgespoord. Als bij een patiënt longkanker wordt vermoed, worden de luchtwegen onderzocht en kunnen er monsters uit verdachte gebieden worden afgenomen. Bronchoscopie wordt toegepast om organismen te verzamelen die longontsteking veroorzaken en anderszins moeilijk zijn te verkrijgen en te identificeren. Bronchoscopie is vooral nuttig om monsters uit de longen af te nemen bij patiënten met aids en andere immunodeficiënties. Wanneer mensen brandwonden hebben opgelopen of rook hebben ingeademd, kunnen het strottenhoofd en de luchtwegen via de bronchoscoop op brandwonden of beschadiging door rook worden geïnspecteerd.

De patiënt mag ten minste vier uur voor de bronchoscopie niet eten of drinken. Vaak wordt er een kalmerend middel toegediend om angst te verminderen. Ook wordt wel atropine toegediend om de kans op kramp van het strottenhoofd en vertraging van de hartslag te verkleinen; deze verschijnselen doen zich soms tijdens deze ingreep voor. De keel en de neusholte worden met een verdovingsspray verdoofd, waarna de flexibele bronchoscoop via de neus in de luchtwegen wordt ingebracht.

Bronchoalveolaire lavage is een ingreep die wordt toegepast om monsters te verkrijgen uit de kleinere luchtwegen en de longblaasjes die met de bronchoscoop niet kunnen worden geïnspecteerd. Hierbij wordt de bronchoscoop in een van de kleine luchtwegen ingebracht, waarna zout water (fysiologische zoutoplossing) via het instrument wordt ingebracht. Vervolgens wordt de vloeistof, met daarin cellen en eventuele bacteriën, weer in de bronchoscoop opgezogen. Microscopisch onderzoek van het materiaal helpt bij het diagnosticeren van infecties en bepaalde vormen van kanker. Het op kweek zetten van de vloeistof is een betere methode om infecties te diagnosticeren. Bronchoalveolaire lavage kan ook worden toegepast bij de behandeling van alveolaire proteïnose (see Alveolaire proteïnose) en andere aandoeningen.

Bij een transbronchiale longbiopsie worden er met een biopsie-instrument via de bronchiën stukjes longweefsel uit een verdacht gebied genomen. Dit instrument wordt via een kanaal in de bronchoscoop door de wand van een kleine luchtweg in het verdachte gebied van de long ingebracht. Het verdachte gebied kan eventueel onder geleide van röntgendoorlichting worden opgespoord. Daarmee wordt ook het risico kleiner van onbedoelde longperforatie en lekkage van lucht naar de pleuraholte (pneumothorax (see Pneumothorax)). Hoewel een transbronchiale longbiopsie het risico van complicaties vergroot, levert deze methode vaak aanvullende diagnostische informatie op en kan daardoor een ingrijpende operatie overbodig maken.

Soms wordt een transbronchiale naaldaspiratie uitgevoerd. Bij deze methode wordt een naald via de bronchoscoop in de bronchuswand ingebracht. De arts probeert dan cellen uit verdachte lymfeklieren op te zuigen.

Na een bronchoscopie blijft de patiënt veelal nog enkele uren onder observatie. Als er een weefselmonster is afgenomen, wordt er soms een thoraxfoto gemaakt om te zien of er complicaties, bijvoorbeeld een bloeding, optreden.

Thoracoscopie

Thoracoscopie is visueel onderzoek van het longoppervlak en de pleuraholte via een thoraxkijkbuis (thoracoscoop). Thoracoscopie is de meest gebruikte methode om een monster van longweefsel te verkrijgen. Een thoracoscoop kan ook worden gebruikt bij de behandeling van vochtophoping in de pleuraholte (pleura-effusie).

Bij deze ingreep wordt de patiënt gewoonlijk onder algehele anesthesie gebracht of de ingreep vindt onder lokale anesthesie plaats. Vervolgens maakt een longarts maximaal drie kleine insnijdingen in de borstwand en brengt een thoracoscoop in de pleuraholte in. Hierdoor stroomt er lucht naar binnen, waardoor de long inklapt. Niet alleen kunnen dan het longoppervlak en de pleura worden geïnspecteerd, ook kunnen er weefselmonsters worden genomen voor microscopisch onderzoek en kweek. Tevens kunnen er via de thoracoscoop medicijnen worden toegediend om te voorkomen dat er opnieuw ophoping van pleuravocht optreedt. Nadat de thoracoscoop is verwijderd, wordt een buisje ingebracht waardoor de lucht wordt weggezogen die tijdens de ingreep in de pleuraholte is gestroomd, zodat de ingeklapte long zich weer kan ontplooien.

De mogelijke complicaties zijn dezelfde als die bij thoracocentese en een naaldbiopsie van de pleura. Dit onderzoek is echter ingrijpender; er wordt een wondje gemaakt, opname in het ziekenhuis en algehele anesthesie zijn noodzakelijk.

Mediastinoscopie

Bij een mediastinoscopie wordt het gebied in de borstholte tussen de linker en rechter long (het mediastinum) rechtstreeks via een mediastinoscoop bekeken. In het mediastinum liggen het hart, de luchtpijp, de slokdarm, de zwezerik en de lymfeklieren. Vrijwel elke mediastinoscopie wordt gebruikt om de oorzaak van vergrote lymfeklieren vast te stellen of om voorafgaand aan een operatie in de borstholte (thoracotomie) te beoordelen hoever een longtumor is uitgegroeid.

Een mediastinoscopie is een ingreep die in een operatiekamer wordt uitgevoerd en waarbij de patiënt onder algehele anesthesie wordt gebracht. In de holte boven het borstbeen (sternum) wordt een kleine insnijding gemaakt. Vervolgens wordt de mediastinoscoop in de borstholte ingebracht zodat alle organen in het mediastinum kunnen worden geïnspecteerd en, zo nodig, weefselmonsters voor diagnostisch onderzoek kunnen worden afgenomen. Complicaties, vooral bloedingen, zijn relatief zeldzaam. Zeldzamer zijn een pneumothorax of een letsel van een ander orgaan, zoals de slokdarm.

Thoracotomie

Een thoracotomie is een operatie waarbij de borstwand wordt geopend om de organen in de borst te inspecteren, weefselmonsters voor laboratoriumonderzoek te nemen en om aandoeningen van de longen, het hart of de grote slagaders te behandelen.

Een thoracotomie is de nauwkeurigste methode om longziekten te diagnosticeren, maar omdat dit een ingrijpende operatie is, wordt er vaker van andere diagnostische technieken gebruikgemaakt. Een thoracotomie wordt uitgevoerd wanneer ingrepen als thora-cocentese, bronchoscopie en mediastinoscopie onvoldoende resultaat hebben opgeleverd. Bij meer dan 90% van de mensen die deze operatie ondergaan, kan de longziekte worden vastgesteld doordat de plaats waar het weefselmonster wordt genomen, kan worden bekeken en uitgekozen, en doordat er grote weefselmonsters kunnen worden afgenomen.

Een thoracotomie wordt onder algehele anesthesie in een operatiekamer uitgevoerd. Er wordt een insnijding in de borstwand gemaakt en er worden weefselmonsters uit de long afgenomen voor microscopisch onderzoek. Als er monsters uit beide longen moeten worden genomen, wordt vaak het borstbeen gespleten. Zo nodig kan er een longsegment, een longkwab of een gehele long worden verwijderd.

Na de operatie blijft er gedurende 24 tot 48 uur een buis (drain) in de borst aanwezig. De patiënt blijft gewoonlijk verscheidene dagen in het ziekenhuis. Mogelijke complicaties zijn onder meer infectie, aanhoudende bloeding en aanhoudende luchtlekkage. Dit zijn ook de procedures na en complicaties van thoracoscopie.

Uitzuigen

Uitzuigen wordt toegepast om secreet en cellen uit de luchtpijp en de grote luchtwegen te verwijderen. Deze methode wordt toegepast om monsters voor microscopisch onderzoek of voor een sputumkweek te verkrijgen, en om secreet uit de luchtwegen te verwijderen wanneer dit niet goed kan worden opgehoest.

Eén uiteinde van een lange, flexibele, doorzichtige plastic buis wordt op een afzuigpomp aangesloten. Het andere uiteinde wordt via de neus of de mond in de luchtpijp ingebracht. Wanneer de buis zich in de juiste positie bevindt, wordt er een aantal malen gedurende twee tot vijf seconden zuigkracht uitgeoefend. Bij mensen met een kunstmatige opening in de luchtpijp (tracheostomie) kan de buis rechtstreeks in de luchtpijp worden ingebracht.

Last full review/revision February 2003

Back to Top

Previous: Symptomen

Next: Introductie

Figures
Tables
Disclaimer