THE MERCK MANUAL MEDICAL LIBRARY: The Merck Manual of Medical Information--Home Edition
Tips for better results

Section

Subject

Topics

Introductie

Urine-incontinentie is onwillekeurig urineverlies.

Urine-incontinentie komt vooral bij ouderen voor, maar kan op elke leeftijd optreden. Deze aandoening kan in enigerlei mate bij 1 op de 5 jongere volwassen voorkomen en bij ongeveer 1 op de 3 ouderen. In de meeste leeftijdscategorieën komt urine-incontinentie vaker bij vrouwen dan bij mannen voor.

Urine-incontinentie kan per leeftijdscategorie enigszins verschillen. Incontinentie bij jongere volwassenen begint vaak plotseling en verdwijnt meestal na weinig of geen behandeling. Ook weten incontinente jongere volwassenen het urineren meestal wel zonder lekkage onder controle te houden. Ouderen zijn gewoonlijk vaker en ernstiger incontinent. Bovendien verdwijnt incontinentie bij ouderen meestal niet zo snel of zonder behandeling.

Urine-incontinentie komt veel voor, is goed te behandelen en wordt zeer vaak genezen, maar wordt ook vaak niet ontdekt of behandeld. Mensen leven vaak met hun incontinentie zonder professionele hulp te zoeken omdat ze bang zijn, zich generen of ten onrechte denken dat deze aandoening bij het ouder worden hoort. Iemand die incontinent is, voelt zich vaak geïsoleerd of depressief. Daarnaast is incontinentie vaak een reden voor opname in een verpleeg- of verzorgingshuis omdat het een grote last betekent voor degenen die de patiënt thuis verzorgen. Meer dan 50% van de bewoners van verpleeg- of verzorgingshuizen is incontinent.

Urine-incontinentie kan met veel complicaties gepaard gaan. Slecht behandelde incontinentie kan bijvoorbeeld aan het ontstaan van blaas- en nierinfecties bijdragen. Vooral onder ouderen kan door incontinentie het risico van huiduitslag en doorligplekken groter worden (omdat urine huidirritatie kan veroorzaken), evenals het risico van valpartijen (iemand die incontinent is, kan vallen wanneer hij zich naar het toilet haast).

Beheersing van de urinelozing

De nieren produceren voortdurend urine, die door twee afvoergangen (urineleiders) naar de blaas stroomt, waar de urine wordt opgeslagen. Het onderste gedeelte van de blaas (de blaashals) is omgeven door een sluitspier (blaassluitspier, blaassfincter), die aangespannen blijft. Hierdoor wordt de afvoergang waarlangs de urine het lichaam verlaat (de plasbuis) afgesloten zodat de urine in de blaas blijft totdat deze vol is.

Wanneer de blaas vol is, wordt een boodschap van de blaas via de zenuwen naar het ruggenmerg gestuurd en vervolgens doorgegeven aan de hersenen, waardoor de persoon zich bewust wordt van de aandrang om te urineren. Iemand die de urinelozing onder controle heeft, kan dan bewust en zelfstandig beslissen om de blaas te legen of de urine nog even op te houden. Wanneer besloten wordt de blaas te legen, ontspant de sluitspier zich zodat de urine door de plasbuis kan stromen en trekken de spieren in de blaaswand zich samen om de urine naar buiten te persen. In de buikwand en de bekkenbodem kunnen spieren worden aangespannen om de druk op de blaas op te voeren.

Bij het ouder worden voltrekt zich een aantal veranderingen die van invloed zijn op het beheersen van de urinelozing. De maximale hoeveelheid urine die de blaas kan bevatten (de blaascapaciteit) neemt af. Bij ouderen neemt tevens het vermogen af om urine op te houden als aandrang tot urineren wordt gevoeld. Ook neemt de snelheid waarmee de urine uit de blaas en door de plasbuis stroomt af. Op alle leeftijden komt sporadisch samentrekken van de spieren in de blaaswand voor, ongeacht of er aandrang wordt gevoeld of een geschikte gelegenheid is om te urineren. Op jongere leeftijd worden deze samentrekkingen meestal door de normale regelmechanismen in het ruggenmerg en de hersenen geblokkeerd. Bij het stijgen van de leeftijd worden echter steeds minder van die samentrekkingen geblokkeerd en blijft na de urinelozing ook steeds meer urine in de blaas achter (blaasresidu). Bij vrouwen wordt de plasbuis korter en wordt de binnenwand dunner naarmate de oestrogeenconcentratie daalt na de menopauze. Door deze veranderingen kan de blaassluitspier zich steeds minder goed sluiten. Bij mannen wordt de prostaat groter, waardoor de urinestroom door de plasbuis soms wordt belemmerd. Hoewel door al deze leeftijdsgebonden veranderingen de kans op incontinentie toeneemt, treedt incontinentie gewoonlijk alleen op als er nog een andere factor, zoals een bepaalde aandoening, in het spel is. Er zijn vele aandoeningen waarbij de beheersing van de urinelozing afneemt of verstoord wordt.

Vormen en oorzaken

Incontinentie kan worden ingedeeld in acute urine-incontinentie, die snel en plotseling ontstaat, en chronische urine-incontinentie, die langzaam en geleidelijk ontstaat. Een blaasinfectie is de meest voorkomende oorzaak van acute urine-incontinentie. Er kunnen verscheidene omkeerbare factoren aan incontinentie bijdragen. Voorbeelden hiervan zijn aandoeningen waarbij verwardheid (een ernstige infectie als longontsteking) of verminderde mobiliteit (een been- of heupfractuur) optreedt. Andere oorzaken zijn overmatige consumptie van alcohol of cafeïnehoudende dranken en aandoeningen waarbij irritatie van de blaas of de plasbuis kan ontstaan, zoals atrofische vaginitis of ernstige obstipatie. Aanhoudende urine-incontinentie kan het gevolg zijn van hersenaandoeningen zoals een CVA (‘beroerte'), aandoeningen waarbij de zenuwen van en naar de blaas zijn aangetast, ziekten van de onderste urinewegen en aandoeningen waarbij het geestelijk functioneren of de mobiliteit is aangetast.

Urine-incontinentie kan op basis van het symptomenpatroon ook in vijf basistypen worden onderscheiden: urge-incontinentie, stressincontinentie, overloopincontinentie, functionele incontinentie en mixed-incontinentie.

Urge-incontinentie: urge-incontinentie is een plotselinge en hevige aandrang (urge) tot urineren die niet kan worden onderdrukt en door onwillekeurig urineverlies wordt gevolgd. Sommige mensen voelen wel de plotselinge en hevige aandrang tot urineren, maar weten de urine nog net op te houden. Mensen met urge-incontinentie hebben meestal al een ‘ongelukje' voordat ze het toilet hebben kunnen bereiken. Een ziekte of letsel waardoor de mobiliteit afneemt, maakt het nog moeilijker om snel naar het toilet te gaan.

Urge-incontinentie is de meest voorkomende vorm van aanhoudende incontinentie bij ouderen en heeft vaak geen duidelijke oorzaak. Urge-incontinentie bij ouderen kan worden veroorzaakt door een combinatie van overactiviteit van de blaasspieren en een slecht samentrekkend vermogen van diezelfde spieren. Aanhoudende urge-incontinentie hangt deels samen met veranderingen in dat gedeelte in de voorkwab van de hersenen waar het ophouden van urine wordt geregeld. Deze veranderingen kunnen samengaan met hersenaandoeningen, vooral CVA en dementie, waarbij het zenuwstelsel de blaas niet meer goed onder controle houdt. Chronische overactiviteit van de blaas (overactieve blaas) komt bij ouderen veel voor en veroorzaakt zowel de plotselinge en hevige aandrang tot urineren als het overdag en 's nachts vaak moeten urineren.

Stressincontinentie: stressincontinentie is onwillekeurig verlies van kleine beetjes urine bij hoesten, inspanning, niezen, tillen van zware voorwerpen of bij zodanige bewegingen dat de druk (stress) op de buik plotseling toeneemt. Stressincontinentie is de meest voorkomende vorm van incontinentie bij jonge vrouwen en vrouwen van middelbare leeftijd. Deze vorm van incontinentie kan worden veroorzaakt door zwakte van de blaassluitspier (soms het gevolg van bevallingen), een operatie aan bekkenorganen of een abnormale positie van de plasbuis of de baarmoeder. Bij postmenopauzale vrouwen neemt de weerstand van de plasbuis tegen de urinestroom af door een tekort aan oestrogeen en verzakking van de bekkenbodem. Bij mannen kan stressincontinentie optreden na een prostaatoperatie als het bovenste deel van de plasbuis of de blaashals beschadigd is. Bij zowel mannen als vrouwen kan stressincontinentie bij overgewicht ontstaan of verergeren door het extra gewicht dat op de blaas en bekkenbodem (waarin de sluitspier is opgenomen) drukt.

Sommige mensen met ernstige stressincontinentie verliezen vrijwel voortdurend urine (dit wordt ook wel ‘totale incontinentie' genoemd). Bij volwassenen ontstaat dit meestal doordat de blaassluitspier niet goed sluit. Sommige kinderen hebben totale incontinentie doordat de plasbuis zich door een aangeboren afwijking niet helemaal heeft ontwikkeld.

Overloopincontinentie: overloopincontinentie is het onwillekeurige verlies van kleine beetjes urine uit een volle blaas, meestal veroorzaakt door een of andere vorm van afsluiting of door te zwakke samentrekking van de blaasspieren. Wanneer de urinestroom wordt geblokkeerd of de blaasspieren zich niet meer samentrekken, raakt de blaas overvol en rekt dan uit. De druk in de blaas loopt op tot er kleine hoeveelheden urine wegdruppelen.

Bij kinderen kan een blokkade van de urinestroom worden veroorzaakt door een aangeboren afwijking waarbij de blaashals of het uiteinde van de plasbuis is vernauwd. Bij mannen kan een vergrote prostaat de overgang van de blaas naar de plasbuis afsluiten. De afsluiting wordt minder vaak veroorzaakt door een vernauwing van de blaashals of de plasbuis (urethrale strictuur) die na een prostaatoperatie kan ontstaan. Bij mannen en vrouwen kan overloopincontinentie ontstaan als door obstipatie de endeldarm zó vol ontlasting zit dat de blaashals en de plasbuis er door worden dichtgedrukt. Sommige geneesmiddelen die op de hersenen of het ruggenmerg inwerken of die zenuwboodschappen verstoren, zoals anticholinergica en opioïden, kunnen het samentrekken van de blaas verstoren en overloopincontinentie veroorzaken. Zenuwbeschadiging waarbij de blaas verlamd raakt (neurogene blaas), kan eveneens overloopincontinentie veroorzaken. Ook diabetes mellitus kan een vorm van neurogene blaas en overloopincontinentie veroorzaken.

Functionele incontinentie: functionele incontinentie betekent urineverlies als gevolg van het onvermogen (of soms de onwil) om naar het toilet te gaan. De meest voorkomende oorzaken zijn aandoeningen die immobiliteit veroorzaken, zoals CVA of ernstige artritis, en aandoeningen waarbij het geestelijk functioneren is aangetast, zoals dementie door de ziekte van Alzheimer. In zeldzame gevallen zijn mensen dermate depressief of anderszins emotioneel gestoord dat ze niet naar het toilet gaan. Dit wordt wel ‘psychogene incontinentie' genoemd.

Mixed-incontinentie: bij mixed-incontinentie is er sprake van meer dan één vorm (mixed) van incontinentie. Een kind kan bijvoorbeeld incontinent zijn door zowel zenuwbeschadiging als psychische factoren. Bij mannen kan overloopincontinentie zijn ontstaan door prostaatvergroting en urge-incontinentie door een CVA. De meest voorkomende vorm van mixed-incontinentie doet zich voor bij oudere vrouwen, die vaak een mengvorm van urge- en stressincontinentie hebben.

illustrative-material.table-short 1

(GENEES)MIDDELEN DIE URINE-INCONTINENTIE VEROORZAKEN OF DEZE VERERGEREN

middel

voorbeelden

effecten

alcohol

wijn, bier, sterke drank

verhoogt de urineproductie

alfa-adrenerge agonisten

neusdecongestiva (met efedrine)

spannen de sluitspier van de blaas aan, kunnen urineretentie en overloopincontinentie veroorzaken

alfa-adrenerge blokkers

prazosine, terazosine, doxazosine, tamsulosine

ontspannen de blaasuitgang en de plasbuis, kunnen stressincontinentie veroorzaken

angiotensine-converterend- enzymremmers (ACE-remmers)

captopril, benazepril, andere middelen

kunnen hoest veroorzaken en verergeren stressincontinentie

anticholinergica

antihistaminica, benzatropine, antidepressiva

verstoren het samentrekken van de blaas en verergeren obstipatie, kunnen urineretentie en overloopincontinentie veroorzaken

antidepressiva

amitriptyline, desipramine, nortriptyline

verstoren het samentrekken van de blaas en verergeren obstipatie, kunnen urineretentie en overloopincontinentie veroorzaken

antipsychotica

haloperidol, thioridazine, risperidon, andere middelen

kunnen trage voortbeweging veroorzaken en urge-incontinentie verergeren

calciumkanaalblokkers

diltiazem, verapamil

verstoren het samentrekken van de blaas en verergeren obstipatie, kunnen urineretentie en overloopincontinentie veroorzaken

diuretica

cafeïne, thiaziden, furosemide, andere middelen

verhogen de urineproductie

opioïden

morfine, codeïne, oxycodon, andere middelen

verstoren het samentrekken van de blaas en verergeren obstipatie, kunnen urineretentie en overloopincontinentie veroorzaken

sedativa en hypnotica

diazepam, flurazepam, lorazepam, andere middelen

kunnen trage voortbeweging veroorzaken en urge-incontinentie verergeren

illustrative-material.sidebar 1

Neurogene blaas: een van de oorzaken van overloopincontinentie

Een neurogene blaas functioneert niet goed doordat de zenuwverbindingen tussen de hersenen, het ruggenmerg en de blaas beschadigd zijn. Aandoeningen als diabetes mellitus, CVA en multipele sclerose kunnen een neurogene blaas veroorzaken. De blaas kan te weinig actief zijn en niet goed samentrekken (hypotoon) of overactief (spastisch) zijn, waardoor de blaas zich te vaak en op ongelegen momenten ledigt. Ruggenmergletsel is een veelvoorkomende oorzaak van een overactieve blaas. Een te weinig actieve blaas bij kinderen wordt meestal veroorzaakt door spina bifida (myelomeningokèle).

Een te weinig actieve blaas rekt uit en wordt groter. Dit verloopt meestal pijnloos. In sommige gevallen lekken er uit de vergrote blaas voortdurend kleine hoeveelheden urine weg (overloopincontinentie). Blaasinfecties komen vaak voor en er ontstaan gemakkelijk stenen.

Een overactieve blaas kan zich onwillekeurig vullen en legen met verschillende vormen van waarschuwingen. De druk kan toenemen wanneer de overactieve blaas zich samentrekt terwijl de sluitspier gesloten blijft. Hierdoor stroomt de urine terug (reflux) naar de nieren, die daardoor beschadigd raken.

Hoewel bij alle typen neurogene blaas volledig herstel zelden voorkomt, kunnen de symptomen en complicaties door intensieve en geschikte behandelingen afnemen.

Wanneer een te weinig actieve blaas plotseling door letsel ontstaat, wordt onmiddellijk een katheter ingebracht om te voorkomen dat de blaas uitrekt en geïnfecteerd raakt. Als de blaas te weinig actief blijft, kunnen sommige patiënten leren regelmatig (3 tot 6 keer per dag) een katheter in de blaas in te brengen en weer te verwijderen als de blaas geleegd is (intermitterende zelfkatheterisatie). Geneesmiddelen hebben meestal zeer weinig effect bij een te weinig actieve blaas. Om de blaas te laten samentrekken kunnen de blaas, de zenuwen die de blaasfunctie reguleren of het ruggenmerg elektrisch worden gestimuleerd. Deze behandeling bevindt zich echter nog in een experimenteel stadium.

Ook bij patiënten met een overactieve blaas moet soms een katheter worden ingebracht als de blaas zich niet geheel ledigt. Anticholinergica zorgen meestal voor ontspanning van een overactieve blaas, maar deze middelen veroorzaken vaak een droge mond en obstipatie en kunnen de normale samentrekkingen voor de blaaslediging verstoren. Soms kunnen sympathicusblokkers de coördinatie verbeteren tussen de blaas en de sluitspier, die zich moet openen om de blaas te kunnen legen. Bij veel mensen die niet op geneesmiddelen reageren, kan de overactiviteit van de blaas door elektrische stimulatie afnemen. Een operatie waarbij de blaas groter wordt gemaakt met een darmsegment (augmentatiecystoplastiek) kan zinvol zijn bij patiënten met een overactieve blaas. Na de ingreep is katheterisatie via de plasbuis noodzakelijk om de urine af te voeren.

Als de nierfunctie verslechtert of als afvoer van urine via een verblijfskatheter niet mogelijk is, kan een operatie nodig zijn om de urine via een kunstmatige opening in de buikwand (stoma) af te voeren.

Het ontstaan van stenen in de urine wordt zo veel mogelijk tegengegaan. De nierfunctie wordt nauwgezet gecontroleerd. Nier- of urineweginfecties worden onmiddellijk behandeld. Het drinken van ten minste acht glazen vocht per dag bevordert verdunning van de urine. Bij patiënten met een neurogene blaas die weinig beweging krijgen, neemt het risico van complicaties toe. Daarom wordt iedereen die kan lopen aangemoedigd dat zo spoedig mogelijk te gaan doen. Bij iemand die verlamd is, kunnen complicaties vaak worden voorkomen door de houding van de patiënt regelmatig te veranderen.

Diagnostisch onderzoek

De eerste stap is het stellen van specifieke vragen over de voorgeschiedenis van het probleem. Verder wordt gevraagd in hoeverre de incontinentie van invloed is op de kwaliteit van leven en het functioneren. Mede aan de hand van deze vragen kan de oorzaak van het probleem worden vastgesteld en een adequaat behandelplan worden opgesteld.

Een patiënt met urine-incontinentie kan worden verzocht het patroon van urineren gedurende ten minste 3 dagen bij te houden (mictiedagboek). Dit dagboek kan zinvol zijn bij het opsporen van de oorzaak van de incontinentie. Zinvolle informatie is onder meer hoe vaak en wanneer wordt geürineerd, of dat willekeurig of onwillekeurig gebeurde, en schattingen van de hoeveelheid urine die verloren ging toen de incontinentie zich voordeed.

Lichamelijk onderzoek kan waardevolle informatie opleveren. Met rectaal onderzoek kan worden vastgesteld of er sprake is van ernstige obstipatie. Bij vrouwen kan bekkenonderzoek zinvol zijn bij het opsporen van problemen die aan incontinentie bijdragen of deze veroorzaken, zoals atrofie van de bekleding van de plasbuis en een uitgezakte blaas (cystokèle). De diagnose ‘stressincontinentie' kan soms eenvoudig worden gesteld door waarneming van urineverlies bij iemand die hoest of inspanning verricht. De hoeveelheid urine die na het urineren in de blaas achterblijft (blaasresidu), kan worden gemeten met echografie of blaaskatheterisatie (het inbrengen van een katheter in de blaas). Een groot blaasresidu wijst op een afsluiting, een neurologisch probleem of een aandoening van de blaasspieren, wat een aanwijzing voor overloopincontinentie kan zijn. Urineonderzoek wordt gedaan om te zien of er sprake is van een infectie.

Bij sommige patiënten kan speciaal onderzoek tijdens het urineren (urodynamisch onderzoek) zinvol zijn. Bij dit onderzoek wordt de druk in de blaas in rust en bij het vullen gemeten. Via de plasbuis wordt een katheter in de blaas ingebracht. De druk in de blaas wordt geregistreerd terwijl er via die katheter water in de blaas wordt gebracht. Normaal gesproken neemt de druk langzaam toe. Bij sommige patiënten neemt de druk sprongsgewijs toe of stijgt de druk te snel voordat de blaas volledig is gevuld. Mede aan de hand van het patroon van drukopbouw kunnen het type incontinentie en de beste behandeling ervoor worden vastgesteld. Ook de snelheid van de urinestroom kan worden gemeten. Hiermee kan worden vastgesteld of de urinestroom geblokkeerd is en of de blaasspieren krachtig genoeg kunnen samentrekken om de urine naar buiten te drijven.

Behandeling

De behandeling is afhankelijk van het type en de oorzaak van de incontinentie. De meeste patiënten kunnen genezen of in veel gevallen aanzienlijk worden geholpen.

De patiënt moet worden voorgelicht over de werking van de blaas, de effecten van geneesmiddelen, de inname van vocht en het patroon van urineren en ontlasten. De behandeling bestaat vaak slechts uit een aantal eenvoudige stappen die tot gedragsverandering moeten leiden, zoals het urineren op vaste tijdstippen (om de 2 tot 3 uur) om de blaas betrekkelijk leeg te houden. Ook kan het zinvol zijn geen vloeistoffen te gebruiken die de blaas irriteren, zoals cafeïnehoudende dranken. De patiënt moet voldoende vocht drinken (6 tot 8 glazen per dag) om te voorkomen dat de urine te zeer geconcentreerd wordt, wat de blaas kan irriteren. Gebruik van geneesmiddelen die de blaasfunctie verstoren, kan vaak worden gestaakt. Bij patiënten die diuretica (vochtafdrijvende middelen) gebruiken, kan het tijdstip van toediening zo worden bepaald dat de patiënt zich in de buurt van een toilet bevindt wanneer deze geneesmiddelen beginnen te werken.

Met speciaal ontwikkeld incontinentieverband en ondergoed kan de huid worden beschermd. De patiënt wordt zo droog gehouden en kan sociaal actief blijven. Deze artikelen zijn overal verkrijgbaar en kunnen onopvallend worden gedragen.

Periodes van urge-incontinentie kunnen vaak worden voorkómen door regelmatige toiletgang voordat aandrang wordt gevoeld (urineren volgens schema). Blaastraining, waaronder oefeningen voor de bekkenbodemspieren (Kegel-oefeningen), kan zeer zinvol zijn. Het is niet zo eenvoudig zelf aan te leren hoe deze spieren moeten worden aangespannen. Daarom wordt bij deze oefeningen vaak ‘biofeedback' toegepast. Verpleegkundigen of fysiotherapeuten kunnen helpen deze oefeningen aan te leren. Bij de oefeningen worden de spieren meermalen per dag herhaaldelijk aangespannen om kracht op te bouwen en de spieren goed te leren gebruiken in situaties die incontinentie veroorzaken, zoals bij hoesten.

Geneesmiddelen die de blaas ontspannen, kunnen een gunstig effect hebben. De twee meest gebruikte geneesmiddelen in deze klasse zijn oxybutynine en tolterodine. Beide middelen kunnen eenmaal daags worden ingenomen. Met deze middelen kunnen de prikkelbaarheid van de blaas en de sterke aandrang tot urineren afnemen, maar er zijn wel bijwerkingen mogelijk, zoals een droge mond, obstipatie, gastro-oesofageale reflux (terugstromen van maaginhoud naar de slokdarm) of zelfs urineretentie.

Patiënten met stressincontinentie hebben gewoonlijk baat bij vaak urineren (om een volle blaas te voorkomen) en oefeningen van de bekkenbodemspieren (Kegel-oefeningen). Vrouwen met stressincontinentie kunnen baat hebben bij het aanbrengen van een oestrogeenhoudende crème in de vagina of het innemen van oestrogeentabletten. Andere geneesmiddelen die de blaassluitspier laten samentrekken, zoals efedrine, moeten in combinatie met oestrogeen worden gebruikt. Er kan incontinentiemateriaal worden gedragen om het kleine beetje urine op te vangen dat bij inspanning vaak weglekt.

Patiënten met ernstiger gevallen van stressincontinentie die niet op behandeling reageren, kunnen operatief worden behandeld met een ingreep waarbij de blaas wordt opgetild en de uitgang van de blaas naar de plasbuis wordt verstevigd. In sommige gevallen is het effectief om collageen rond de plasbuis in te spuiten. Wanneer de blaassluitspier niet meer goed sluit, kan deze door een kunstmatige sluitspier worden vervangen.

Bij overloopincontinentie door een vergrote prostaat of een andere afsluiting is operatief ingrijpen meestal noodzakelijk. Er bestaan diverse methoden om de prostaat geheel of gedeeltelijk te verwijderen. Het geneesmiddel finasteride kan, wanneer het maandenlang wordt gebruikt, de prostaat verkleinen of de groei ervan stoppen, waardoor operatief ingrijpen kan worden vermeden of uitgesteld. Geneesmiddelen die de blaassluitspier ontspannen, zoals terazosine en tamsulosine, kunnen zeer effectief zijn.

Wanneer overloopincontinentie door zwakke samentrekking van de blaasspieren wordt veroorzaakt, helpen geneesmiddelen meestal niet. Door met de handen licht op de onderbuik vlak boven de blaas te drukken, kan verbetering worden bereikt, vooral bij mensen die wel kunnen urineren maar hun blaas niet volledig kunnen legen. In sommige gevallen kan het nodig zijn een katheter in te brengen om de blaas te ledigen en complicaties als recidiverende infecties en nierbeschadiging te voorkomen. De katheter kan permanent inblijven of meerdere keren per dag worden ingebracht en weer verwijderd, nadat de urine is afgetapt.

De behandeling bij functionele incontinentie bestaat uit regelmatige hulp bij het urineren. Iemand anders kan de incontinente patiënt er bijvoorbeeld op vaste tijdstippen, meestal om de 3 tot 4 uur, aan helpen herinneren dat het tijd is om te urineren. De blaas wordt dan geleegd voordat er incontinentie kan optreden. Als depressie een factor is, moet deze aandoening worden behandeld. Ook is het gebruik van speciale kleding en incontinentieverband zinvol, maar de patiënt moet hiervan niet onnodig afhankelijk worden.

Last full review/revision February 2003

Back to Top

Previous: Introductie

Next: Introductie

Figures
Tables
Disclaimer