THE MERCK MANUAL MEDICAL LIBRARY: The Merck Manual of Medical Information--Home Edition
Tips for better results

Section

Subject

Topics

Chronische pancreatitis

Chronische pancreatitis is een langdurig bestaande ontsteking van de alvleesklier die tot onherstelbare aantasting van de alvleesklierstructuur en -functie leidt.

In de westerse wereld is alcoholmisbruik de meest voorkomende oorzaak van chronische pancreatitis. Andere oorzaken kunnen zijn: erfelijke predispositie, alvleesklierkanker of een afsluiting van de alvleesklierbuis door buisvernauwing. Het komt zelden voor dat een ernstig geval van acute pancreatitis de alvleesklierbuis zodanig vernauwt dat chronische pancreatitis het gevolg is. In de meeste gevallen is de oorzaak van chronische pancreatitis niet bekend. In tropische landen (zoals India, Indonesië en Nigeria) komt bij kinderen en jongvolwassenen vaak chronische pancreatitis met onbekende oorzaak voor.

Symptomen

De symptomen van chronische pancreatitis kunnen overeenkomen met die van acute pancreatitis en hierbij kunnen over het algemeen twee patronen worden onderscheiden. Bij het ene patroon heeft de patiënt aanhoudende pijn midden in de buik die in hevigheid varieert. Bij dit patroon ligt een complicatie van chronische pancreatitis, zoals een zwelling als gevolg van een ontsteking, een cyste of zelfs alvleesklierkanker, meer voor de hand. Bij het andere patroon heeft de patiënt opflakkeringen van pancreatitis met symptomen die lijken op die van lichte tot matige acute pancreatitis. De pijn is soms ernstig en kan uren of enkele dagen aanhouden. Bij beide patronen gaan de cellen die de verteringsenzymen afscheiden langzaam verloren naarmate de chronische pancreatitis zich uitbreidt. Dat betekent dat de pijn uiteindelijk stopt.

Met het verminderen van het aantal cellen die de verteringsenzymen afscheiden, wordt het voedsel steeds minder efficiënt opgenomen (wat leidt tot ‘malabsorptie'). Hierdoor kan de patiënt volumineuze, stinkende ontlasting produceren. De ontlasting is lichtgekleurd en vetachtig en kan zelfs druppels olie bevatten. De ontoereikende opname van voedsel leidt tevens tot gewichtsverlies. Uiteindelijk kunnen de insulineproducerende cellen van de alvleesklier verloren gaan, waardoor geleidelijk diabetes mellitus optreedt.

Diagnose

De arts vermoedt chronische pancreatitis aan de hand van de symptomen of een voorgeschiedenis van opflakkeringen van acute pancreatitis. Bloedonderzoek is minder zinvol bij de diagnose van ‘chronische pancreatitis' dan bij die van ‘acute pancreatitis', maar kan een indicatie opleveren voor verhoogde amylase- en lipasespiegels. Bloedonderzoek is ook bruikbaar om de bloedglucosespiegel te meten, aangezien deze verhoogd kan zijn.

Onderzoeken zoals röntgenfoto's, echografie en CT-scans worden bij mensen met chronische pancreatitis niet routinematig uitgevoerd. Röntgenonderzoek van de buikholte en echoscopie kunnen echter aanwijzingen geven voor galstenen in de alvleesklier. Endoscopische retrograde cholangiopancreatografie (ERCP) (see Beeldvormend onderzoek) kan uitzetting of vernauwing van de buis of de aanwezigheid van galstenen laten zien. Met een CT-scan kunnen deze afwijkingen ook worden waargenomen, evenals de grootte, vorm en structuur van de alvleesklier zelf. Bovendien is bij CT, in tegenstelling tot bij ERCP, geen endoscoop nodig.

Patiënten met chronische pancreatitis hebben een verhoogde kans op alvleesklierkanker. Wanneer de symptomen verslechteren, vooral bij vernauwing van de alvleesklierbuis, wordt kanker vermoed. In dergelijke gevallen zal de arts waarschijnlijk echografie, een CT-scan of endoscopisch onderzoek laten uitvoeren.

Behandeling

De behandeling van opflakkeringen van chronische pancreatitis is vergelijkbaar met die van acute pancreatitis. Tijdens een opflakkering is het van essentieel belang dat geen alcohol wordt gebruikt. Door voedsel te vermijden en uitsluitend intraveneus vocht toe te dienen, kunnen de alvleesklier en darmen tot rust komen en kan een pijnlijke opvlamming van de aandoening worden voorkomen. Daarnaast zijn soms opioïde analgetica nodig om de pijn te verlichten.

In een later stadium kan de frequentie en intensiteit van opvlammingen worden verminderd onder andere door vier tot vijf maaltijden per dag te gebruiken met weinig vet en eiwit, maar met veel koolhydraten. De patiënt mag geen alcohol gebruiken. Als de pijn voortduurt, zal de arts naar complicaties zoeken, zoals een zwelling als gevolg van een ontsteking in de kop van de alvleesklier of een pseudo-cyste (een ophoping van alvleesklierenzymen, vocht en weefselafval die lijkt op een cyste, maar dan zonder de bekleding die gebruikelijk is bij andere soorten cysten). Bij een dergelijke zwelling is operatief ingrijpen soms noodzakelijk. Als een pseudo-cyste in de alvleesklier pijn veroorzaakt door verdere zwelling, moet deze eventueel worden gedraineerd om de druk weg te nemen.

Als de patiënt pijn blijft houden terwijl geen complicaties kunnen worden vastgesteld, zal de arts meestal een combinatie van lidocaïne en corticosteroïden in de uit de alvleesklier tredende zenuwen injecteren, zodat pijnprikkels niet langer de hersenen bereiken. Als dit geen succes heeft, kan een operatie worden uitgevoerd. Wanneer de alvleesklierbuis is verwijd, kan een bypass van de alvleesklier naar de dunne darm bij 60 tot 80% van de patiënten de pijn verlichten. Wanneer de alvleesklierbuis niet is verwijd, is het misschien nodig om een deel ervan weg te nemen. Verwijdering van een gedeelte van de alvleesklier betekent dat ook cellen die insuline produceren worden verwijderd, waardoor diabetes kan ontstaan.

Bij mensen die niet meer voldoende verteringsenzymen aanmaken, kan inname van tabletten of capsules met extracten van alvleesklierenzymen tijdens de maaltijd de ontlasting minder vet maken en de opname van het voedsel verbeteren, maar de problemen verdwijnen zelden helemaal. Indien nodig kan met de alvleesklierenzymen een vloeibaar antacidum, een H2-receptorantagonist of een protonpompremmer worden gebruikt (deze geneesmiddelen verminderen of voorkomen de productie van maagzuur). Bij een dergelijke behandeling neemt het gewicht van de patiënt gewoonlijk toe, zijn er minder defecaties per dag, bevat de ontlasting geen druppels olie en voelt de patiënt zich in het algemeen beter. Als dergelijke maatregelen niet effectief zijn, kan de patiënt proberen minder vet te gebruiken. Mogelijk zijn ook supplementen van de vetoplosbare vitaminen A, D, E en K nodig.

Bij de behandeling van door chronische pancreatitis veroorzaakte diabetes kan zelden worden gebruikgemaakt van orale bloedglucoseverlagende middelen. Insuline is over het algemeen nodig, maar kan een probleem vormen omdat deze patiënten ook een verlaagde glucagonspiegel hebben (glucagon is een hormoon dat de effecten van insuline compenseert). Een overmaat aan insuline in de bloedbaan veroorzaakt een lage bloedglucosespiegel, wat kan tot een hypoglykemisch coma (see Symptomen) en leiden.

Last full review/revision February 2003

Back to Top

Previous: Acute pancreatitis

Next: Introductie

Figures
Tables
Disclaimer