THE MERCK MANUAL MEDICAL LIBRARY: The Merck Manual of Medical Information--Home Edition
Tips for better results

Section

Subject

Topics

Obstipatie

Obstipatie (verstopping, constipatie) is een situatie waarin iemand ongemakkelijke of weinig frequente defecatie vertoont.

Obstipatie kan acuut of chronisch zijn. Acute obstipatie begint plotseling en is duidelijk merkbaar. Chronische obstipatie kan ongemerkt beginnen en maanden of jaren aanhouden.

Iemand met obstipatie produceert vaak of altijd harde ontlasting die de stoelgang bemoeilijkt. Dit kan tevens het gevoel geven dat de endeldarm (het rectum) niet geheel is geleegd. Waarschijnlijk is ook de frequentie van de stoelgang afgenomen. Veel mensen zijn ervan overtuigd dat ze last van obstipatie hebben als ze niet dagelijks ontlasting produceren. Een dagelijkse stoelgang is echter niet voor iedereen normaal en minder frequente defecatie duidt niet altijd op een probleem, tenzij deze sterk afwijkt van het eerdere patroon. Hetzelfde geldt voor kleur en consistentie: als er geen duidelijke veranderingen zijn, heeft iemand waarschijnlijk geen obstipatie.

Oorzaken

Vertraagde passage van ontlasting: obstipatie ontstaat meestal wanneer de passage van ontlasting door de dikke darm langzamer verloopt. Onder normale omstandigheden wordt water aan de ontlasting onttrokken terwijl deze de dikke darm passeert. Door de vertraagde passage van ontlasting kan de dikke darm meer water aan de ontlasting onttrekken, wat leidt tot de harde, droge ontlasting en de daarmee samenhangende moeilijke uitscheiding die zo kenmerkend zijn voor obstipatie.

Geneesmiddelen die de passage vertragen, zoals aluminiumhydroxide (een bestanddeel van veel vrij verkrijgbare maagzuurremmers), bismutsubsalicylaat, ijzerzouten, anticholinergica, bepaalde middelen tegen hoge bloeddruk, opioïden en veel kalmeringsmiddelen, veroorzaken vaak obstipatie. Omdat lichamelijke activiteit de darmen ondersteunt bij het voortbewegen van de ontlasting, leidt gebrek aan lichaamsbeweging meestal tot een tragere passage en tot obstipatie. Daardoor hebben mensen die door ziekte het bed moeten houden, vaak last van obstipatie.

Stoornissen en ziekten die de passage van ontlasting kunnen vertragen, zijn onder meer een inactieve schildklier (hypothyreoïdie), een hoge calciumspiegel (hypercalciëmie) en de ziekte van Parkinson. Bij mensen met diabetes gaan delen van het spijsverteringsstelsel vaak trager werken. Ook andere aandoeningen, waaronder een slechte bloedtoevoer naar de dikke darm en zenuw- of ruggenmergletsel, kunnen obstipatie veroorzaken doordat de passage wordt vertraagd.

In een extreem geval van vertraagde passage, dat ‘coloninertie' (inactief colon ofwel ‘luie dikke darm') wordt genoemd, reageert de dikke darm niet meer op de prikkels die meestal tot defecatie leiden, zoals eten, een volle maag, een volle dikke darm en ontlasting in het rectum (endeldarm). Vermindering van de samentrekkingen van de dikke darm of ongevoeligheid van het rectum voor de aanwezigheid van ontlasting heeft ernstige, chronische obstipatie tot gevolg. Coloninertie komt vaak voor bij ouderen, gehandicapten en bedlegerige patiënten, maar soms ook bij verder gezonde jonge vrouwen (veel minder vaak bij gezonde jonge mannen). Coloninertie komt soms voor bij mensen die er een gewoonte van maken de defecatie uit te stellen of die langdurig laxeermiddelen of klysma's hebben gebruikt.

Uitdroging en een vezelarm dieet. Uitdroging leidt tot obstipatie omdat het lichaam probeert water in het bloed vast te houden door extra water aan de ontlasting te onttrekken. Gebrek aan vezels (onverteerbare voedingsbestanddelen) in het dieet kan tot obstipatie leiden omdat vezels helpen water in de ontlasting vast te houden en deze volumineuzer te maken, waardoor de ontlasting gemakkelijker kan worden voortbewogen.

Afsluiting: obstipatie wordt soms veroorzaakt door afsluiting van de dikke darm. Een afsluiting kan worden veroorzaakt door een tumor, in het bijzonder door een tumor in het laatste deel van de dikke darm, als daardoor de passage van ontlasting wordt belemmerd. Ook zogeheten ‘bezoars' (samengebalde massa's gedeeltelijk verteerd of onverteerd materiaal) en lichaamsvreemde voorwerpen kunnen het spijsverteringskanaal blokkeren (see Bezoars en lichaamsvreemde voorwerpen). Bij mensen die eerder een buikoperatie hebben ondergaan, kan een darmafsluiting ontstaan (meestal in de dunne darm) als gevolg van de vorming van vezelige weefselbanden (verklevingen).

Dyschezie: dyschezie, ook wel ‘spastisch-bekkenbodemsyndroom' genoemd, is een darmstoornis die wordt veroorzaakt door een onvermogen om de bekkenbodemspieren en anale spieren te controleren. Een normale stoelgang vereist ontspanning van de bekkenbodemspieren (de spieren die de blaas, de uterus en het rectum ondersteunen) en van de kringspieren (sfincters) die de anus gesloten houden. Als dit niet het geval is, zullen pogingen tot defecatie (ontlasting) vergeefs zijn, zelfs met hevig ‘persen'. Patiënten met dyschezie hebben aandrang tot defecatie, maar kunnen deze niet volbrengen. Zelfs zachte ontlasting kan moeilijk worden uitgescheiden.

Aandoeningen die dyschezie kunnen veroorzaken, zijn onder meer antagonisme van de bekkenbodem (storing in de spiercoördinatie), anisme (een aandoening waarbij de spieren tijdens defecatie niet ontspannen), rectokèle (een uitstulping van het rectum naar de vagina), enterokèle (een uitstulping van de dunne darm naar het rectum), rectale zweren en rectumprolaps.

Veroudering: obstipatie komt vooral bij ouderen vaak voor. Leeftijdsafhankelijke veranderingen in de dikke darm (see Effecten van veroudering) in combinatie met een toegenomen gebruik van geneesmiddelen en minder lichaamsbeweging leiden vaak tot een vertraagde passage van ontlasting door de dikke darm. Een vertraagde passage komt vooral vaak voor tijdens periodes van ziekte. Het rectum wordt met de leeftijd wijder en doordat zich meer ontlasting in dit deel van de darm ophoopt, kan harde ontlasting vast komen te zitten.

Pijn en psychogene factoren: chronische pijn en psychische aandoeningen, vooral depressie, zijn veelvoorkomende oorzaken van acute en chronische obstipatie. Obstipatie kan het gevolg zijn van veranderingen in de concentratie van bepaalde stoffen in de hersenen, zoals serotonine, die het spijsverteringskanaal kunnen beïnvloeden.

Symptomen en complicaties

Obstipatie kan buikpijn veroorzaken. Soms treedt de pijn alleen op wanneer tijdens defecatie wordt geperst, maar bij sommige mensen houdt de pijn ook tussen de defecaties aan. Obstipatie kan misselijkheid veroorzaken en de eetlust doen afnemen.

Door tijdens de defecatie te persen, neemt de druk op de aderen rond de anus toe, waardoor aambeien kunnen ontstaan. Persen kan ook de bloeddruk, hoewel slechts tijdelijk, extreem verhogen.

Obstipatie is een van de belangrijkste risicofactoren voor het ontstaan van divertikelziekte. De wanden van de dikke darm worden beschadigd door de verhoogde druk die nodig is om harde ontlasting met weinig volume voort te bewegen. Beschadiging van de wanden van de dikke darm leidt tot het ontstaan van ballonachtige zakjes (divertikels) die verstopt en ontstoken kunnen raken.

Bij mensen met obstipatie is soms sprake van ‘fecale indikking'. Hierbij wordt de ontlasting in het laatste deel van de dikke darm en in het rectum hard, waardoor de passage hoger in de darm wordt geblokkeerd. Deze aandoening komt vooral vaak voor bij ouderen, zwangere vrouwen en mensen met coloninertie. Fecale indikking leidt tot krampen, rectumpijn en hevige, maar vergeefse pogingen ontlasting te produceren. Vaak lekt er waterig slijm of vloeibare ontlasting langs de afsluiting, wat de verkeerde indruk van diarree kan wekken (paradoxe diarree). Fecale indikking kan de obstipatie verergeren.

Diagnose

Soms ontstaat obstipatie bij iemand die er nog niet eerder last van heeft gehad. Wanneer hiervoor geen eenvoudige verklaring bestaat, zoals een verandering in dieet of lichamelijke activiteit of het gebruik van een van de vele geneesmiddelen waarvan bekend is dat ze obstipatie veroorzaken, kan de arts het bloed laten onderzoeken op een inactieve schildklier (hypothyreoïdie) of een hoge calciumconcentratie in het bloed (hypercalciëmie). Bij beide afwijkingen kan namelijk obstipatie ontstaan. Als er ook maar enig vermoeden bestaat dat kanker de oorzaak is, wordt röntgenonderzoek uitgevoerd, na toediening van een klysma met bariumpap, of wordt coloscopie verricht.

Preventie en behandeling

Obstipatie kan het best worden voorkomen en behandeld met een combinatie van voldoende lichaamsbeweging, een vezelrijk dieet, voldoende opname van vloeistof en (zo nu en dan) gebruik van laxeermiddelen. Wanneer een potentieel verstoppend geneesmiddel wordt voorgeschreven, helpt een laxeermiddel in combinatie met een verhoogde opname van voedingsvezels en vloeistoffen om obstipatie te voorkomen.

Groenten, fruit en zemelen zijn uitstekende vezelbronnen. Veel mensen vinden het gemakkelijk om twee- tot driemaal per dag twee of drie theelepels ongeraffineerde bakkerszemelen op een vezelrijk graanproduct of op fruit te strooien. Voor een goede werking moet het vezelmateriaal met veel vloeistof worden geconsumeerd.

Wanneer obstipatie het gevolg is van een onderliggende ziekte, moet deze ziekte worden behandeld.

Dyschezie kan niet simpelweg met laxeermiddelen worden behandeld. Bij antagonisme van de bekkenbodem worden ontspanningsoefeningen en biofeedback toegepast, wat bij sommige mensen effect heeft. Een enterokèle of een grote rectokèle moet operatief worden behandeld.

Fecale indikking kan niet met een dieet of simpelweg met laxeermiddelen worden behandeld. De harde ontlasting moet meestal door een arts of verpleegkundige met een gehandschoende vinger worden verwijderd. Soms kan de indikking met een klysma worden opgelost.

Overmatige behandeling, in het bijzonder het langdurig gebruik van stimulerende laxeermiddelen, irriterende zetpillen en klysma's, kan leiden tot diarree, uitdroging, krampen of afhankelijkheid van laxeermiddelen.

Laxeermiddelen. Veel mensen gebruiken laxeermiddelen om obstipatie op te heffen. Sommige laxeermiddelen kunnen veilig langdurig worden gebruikt, terwijl andere slechts zo nu en dan mogen worden gebruikt. Sommige zijn goed om obstipatie te voorkomen, andere zijn beter voor behandeling.

Volumevergrotende middelen, zoals zemelen en psylliumpreparaten (ook aanwezig in de vezels van veel groenten), maken de ontlasting volumineuzer. De toegenomen massa stimuleert de natuurlijke samentrekkingen van de darm en omvangrijke ontlasting is zachter en vergemakkelijkt de passage. Volumevergrotende middelen werken langzaam en voorzichtig en vormen een van de veiligste methoden om de stoelgang te verbeteren. Deze middelen worden in het begin doorgaans in kleine hoeveelheden ingenomen. De dosis wordt daarna geleidelijk verhoogd totdat een regelmatige stoelgang is verkregen. Mensen die volumevergrotende middelen gebruiken, moeten altijd veel drinken.

Emollientia (weekmakers) als natriumdocusaat verhogen de hoeveelheid water die door de ontlasting kan worden vastgehouden. Deze laxeermiddelen zijn in feite detergentia die de oppervlaktespanning van de ontlasting verlagen, waardoor water gemakkelijker de ontlasting binnendringt en deze verweekt. Ook stimuleert het daardoor licht vergrote volume de natuurlijke samentrekkingen van de dikke darm, waardoor de uitscheiding wordt bevorderd. Sommige mensen vinden de weke structuur van de ontlasting onaangenaam. Deze weekmakers kunnen het best worden gebruikt bij personen die niet mogen persen, zoals mensen die aambeien hebben of onlangs een operatie hebben ondergaan.

Osmotische middelen ‘trekken' grote hoeveelheden water naar de dikke darm, waardoor de ontlasting zacht en los wordt. Door de overmaat aan water wordt ook de wand van de dikke darm uitgerekt en gestimuleerd tot samentrekkingen. Deze laxeermiddelen bestaan uit zouten of suikers die slecht worden opgenomen. Ze kunnen bij mensen met nier- of hartaandoeningen tot vochtretentie leiden, vooral als ze in hoge doses of frequent worden ingenomen. Osmotische middelen die magnesium en fosfaat bevatten, worden gedeeltelijk in de bloedbaan opgenomen en kunnen schadelijk zijn voor mensen met nierinsufficiëntie. Deze laxeermiddelen werken over het algemeen binnen drie uur. Ze worden ook gebruikt om de darmen te ledigen voordat röntgenopnamen van het spijsverteringskanaal worden gemaakt en voorafgaand aan coloscopie.

Stimulerende laxeermiddelen bevatten irriterende stoffen, zoals senna en fenolftaleïne, die de wand van de dikke darm direct stimuleren, waardoor deze samentrekt en de ontlasting vooruit beweegt. Als ze oraal worden ingenomen, leiden stimulerende laxeermiddelen gewoonlijk binnen zes tot acht uur tot productie van halfvaste ontlasting, maar ze veroorzaken ook vaak kramp. Als zetpil werken deze middelen binnen 15 tot 60 minuten.

Langdurig gebruik van stimulerende laxeermiddelen kan leiden tot abnormale veranderingen in het slijmvlies van de dikke darm door pigmentafzettingen (een aandoening die ‘melanosis coli' wordt genoemd). Stimulerende laxeermiddelen kunnen tevens verslavend werken, wat leidt tot het ontstaan van het zogeheten ‘luiedarmsyndroom'. Door dit syndroom wordt vervolgens de dikke darm afhankelijk van de laxeermiddelen. Dit zijn allemaal redenen om stimulerende laxeermiddelen slechts gedurende korte perioden te gebruiken ter behandeling van obstipatie. Ze zijn nuttig om obstipatie te voorkomen bij mensen die geneesmiddelen gebruiken die vrijwel zeker obstipatie zullen veroorzaken, zoals opioïden. Stimulerende laxeermiddelen worden vaak gebruikt om de dikke darm te ledigen voordat diagnostisch onderzoek wordt uitgevoerd.

Klysma's: met behulp van klysma's kan ontlasting uit het rectum en uit het laatste deel van de dikke darm worden gespoeld. Bij de apotheker zijn klysma's met een klein volume in knijpflessen verkrijgbaar. Ze kunnen ook worden toegediend met een knijpbalsysteem. Klysma's met een klein volume zijn echter vaak ontoereikend, vooral bij ouderen, bij wie de rectumcapaciteit toeneemt wanneer met het klimmen der jaren dit darmgedeelte steeds gemakkelijker oprekt. Klysma's met een groter volume worden toegediend met behulp van een klysmazak.

Vaak kan voor een klysma het best gewoon water worden gebruikt. Het water moet kamertemperatuur hebben of iets warmer zijn, maar niet heet of koud. Het water (ongeveer 150 tot 300 milliliter) wordt voorzichtig in het rectum geleid. Gebruik van extra kracht is gevaarlijk. Het water wordt vervolgens uitgedreven, waardoor de ontlasting wordt meegespoeld.

Voorverpakte klysma's bevatten vaak kleine hoeveelheden zouten, doorgaans fosfaten. Aan zelfgemaakte klysma's kunnen ook geschikte zouten worden toegevoegd. Deze klysma's hebben echter weinig voordelen in vergelijking met gewoon water.

Door toevoeging van kleine hoeveelheden zeep aan het water (zeepklysma) ontstaat een stimulerend laxerend effect. Zeepklysma's zijn soms zinvol wanneer klysma's met gewoon water niet werken, maar ze kunnen kramp veroorzaken.

Aan klysma's op waterbasis worden veel andere stoffen toegevoegd, waaronder paraffineolie, maar ze hebben weinig voordelen.

Klysma's met een groot volume, de zogenoemde ‘colonklysma's', worden in de medische praktijk slechts zelden gebruikt. Artsen gebruiken colonklysma's alleen bij mensen met zeer ernstige obstipatie. Sommige beoefenaars van alternatieve geneeskunst gebruiken colonklysma's omdat ze geloven dat reiniging van de dikke darm een gunstig effect heeft. Vaak worden aan colonklysma's thee, koffie en andere stoffen toegevoegd, maar het is niet bewezen dat deze stoffen goed zijn voor de gezondheid en ze kunnen zelfs gevaarlijk zijn.

soort

geneesmiddel

bijwerkingen (selectie)

opmerkingen

volumevergrotende middelen 

zemelen

sterculiagom

methylcellulose

psylliumpreparaten

winderigheid, opgeblazen gevoel

volumevergrotende middelen worden over het algemeen gebruikt om chronische obstipatie te voorkomen of te bestrijden

emollientia (weekmakers)

natriumdocusaat

misselijkheid (vooral bij siroop/vloeistofproduct)

emollientia kunnen worden gebruikt om obstipatie te behandelen en worden ook vaak gebruikt om deze te voorkomen

osmotische middelen 

lactulose

magnesiumzouten

(magnesiumhydroxide, magnesiumcitraat)

natriumfosfaat

sorbitol

krampen, winderigheid (lactulose, sorbitol)

osmotische middelen kunnen beter worden gebruikt voor de behandeling van obstipatie dan voor de preventie ervan

stimulerende laxeermiddelen 

bisacodyl

fenolftaleïne

ricinusolie

senna

buikpijn (krampen), langdurig gebruik kan de dikke darm beschadigen

stimulerende laxeermiddelen worden niet gebruikt als er een mogelijkheid bestaat dat er een darmafsluiting ontstaat

Last full review/revision February 2003

Back to Top

Previous: Introductie

Next: Diarree

Figures
Tables
Disclaimer