THE MERCK MANUAL MEDICAL LIBRARY: The Merck Manual of Medical Information--Home Edition
Tips for better results

Section

Subject

Topics

Diagnose

Meestal kan een arts op basis van de anamnese (medische voorgeschiedenis) en een lichamelijk onderzoek vaststellen of iemand een spijsverteringsstoornis heeft. De arts kan dan de juiste diagnostische procedures kiezen om de diagnose te bevestigen, de omvang en ernst van de aandoening vast te stellen en de behandeling voor te stellen.

Anamnese en lichamelijk onderzoek

Een arts stelt symptomen vast door de patiënt naar zijn medische voorgeschiedenis te vragen (anamnese). De patiënt wordt aangemoedigd om de symptomen in zijn eigen woorden te beschrijven. De arts kan dan specifieke vragen stellen om aanvullende informatie te verzamelen. Als de patiënt bijvoorbeeld buikpijn heeft, kan de arts eerst vragen: ‘Wat voor soort pijn hebt u?' Deze vraag kan worden gevolgd door vragen als ‘Wordt de pijn minder als u eet?' of ‘Wordt de pijn erger wanneer u voorover buigt?'.

Tijdens het lichamelijk onderzoek noteert de arts het gewicht en de algehele indruk van de patiënt, wat aanwijzingen kunnen zijn van spijsverteringsstoornissen. Hoewel de arts het gehele lichaam kan onderzoeken, ligt de nadruk op onderzoek van de buik, de anus en de endeldarm.

Eerst bekijkt de arts de buik vanuit verschillende hoeken. Hij zoekt hierbij naar uitzetting (distensie) van de buikwand die mogelijk wordt veroorzaakt door abnormale groei of vergroting van een bepaald deel van het spijsverteringskanaal. Op de buik wordt een stethoscoop geplaatst. Hiermee luistert de arts naar abnormale geluiden en geluiden die normaal gesproken te horen zijn bij het bewegen van materiaal door de darmen (peristaltiek). De arts zoekt naar drukgevoelige punten en zwellingen of vergrote organen. Pijn die wordt veroorzaakt door zacht op de buik te drukken en die verdwijnt wanneer de druk wordt weggenomen (loslaatpijn), duidt meestal op ontsteking en soms op infectie van het buikvlies (peritonitis).

De anus en de endeldarm worden met een gehandschoende vinger onderzocht en soms wordt een klein ontlastingsmonster onderzocht op verborgen (occult) bloed. Bij vrouwen kan door inwendig onderzoek vaak onderscheid worden gemaakt tussen spijsverteringsproblemen en gynaecologische klachten.

Psychologisch onderzoek

Omdat het spijsverteringsstelsel en de hersenen zo sterk op elkaar inwerken (see Introductie), is soms psychologisch onderzoek nodig om spijsverteringsproblemen te onderzoeken. In dergelijke gevallen wordt door de arts niet gesuggereerd dat de spijsverteringsproblemen ingebeeld of verzonnen zijn. De problemen zijn mogelijk eerder het gevolg van angst, depressie of andere behandelbare psychische aandoeningen, zoals bij zeker 50% van de mensen met een spijsverteringsstoornis het geval blijkt te zijn.

Diagnostische procedures

Op basis van de bevindingen van de anamnese, het lichamelijk onderzoek en (indien van toepassing) het psychologisch onderzoek, kiest de arts de passende diagnostische onderzoeken. Bij onderzoek van het spijsverteringsstelsel wordt gebruikgemaakt van de endoscoop (een flexibele slang die de arts gebruikt om inwendige structuren te bekijken en om inwendig weefselmonsters af te nemen), röntgenopnamen, echoscopie, minuscule hoeveelheden radioactief materiaal en chemische bepalingen. Deze onderzoeken kunnen de arts helpen bij de diagnose, de lokalisatie en soms de behandeling van het probleem. Voor bepaalde onderzoeken is geen enkele voorbereiding noodzakelijk, terwijl voor andere het spijsverteringskanaal vrij van ontlasting moet zijn. Dit kan worden bereikt door eerst acht tot twaalf uur te vasten, maar soms is darmvoorbereiding met laxeermiddelen en/of klysma's noodzakelijk.

Hoewel diagnostische onderzoeken zeer nauwkeurig kunnen zijn, kunnen ze ook behoorlijk duur zijn en in zeldzame gevallen leiden tot doorboring (perforatie) van het spijsverteringskanaal of bloedingen en letsel veroorzaken.

Endoscopie

Endoscopie is een onderzoek van de inwendige structuur van het spijsverteringskanaal door middel van een flexibele slang met een camera (endoscoop). Ingebracht via de mond kan de endoscoop worden gebruikt voor onderzoek van de slokdarm (oesofagoscopie), de maag (gastroscopie) en het grootste gedeelte van de dunne darm (gastroduodenoscopie). Ingebracht via de anus kan met de endoscoop de endeldarm worden geïnspecteerd (anoscopie), evenals het onderste deel van de dikke darm, de endeldarm en de anus (sigmoïdoscopie) of de gehele dikke darm, de endeldarm en de anus (coloscopie). Bij andere procedures dan anoscopie en sigmoïdoscopie krijgt de patiënt intraveneus medicatie toegediend om ongemak te voorkomen.

Endoscopen hebben een diameter variërend van ongeveer 6 mm tot ongeveer 12 mm en een lengte die van 30 cm tot 150 cm varieert. De keuze van de endoscoop is afhankelijk van het deel van het spijsverteringskanaal dat moet worden onderzocht. De endoscoop is flexibel en is uitgerust met zowel een lichtbron als een kleine camera, waardoor de arts een goed beeld kan krijgen van de bekleding van het spijsverteringskanaal. De arts kan geïrriteerde zones, zweren (ulcera), ontstekingen en abnormale weefselgroei onderscheiden.

Veel endoscopen zijn voorzien van een kleine kniptang waarmee weefselmonsters kunnen worden genomen. Deze monsters kunnen vervolgens worden onderzocht op aanwijzingen voor ontsteking, infectie of kanker. Omdat de bekleding en de binnenste lagen van de wanden van het spijsverteringskanaal geen zenuwen bevatten die pijn waarnemen (met uitzondering van het onderste deel van de anus), verloopt deze procedure pijnloos.

Endoscopen zijn ook bruikbaar voor behandelingen. De arts kan via een klein kanaal in de endoscoop allerlei instrumenten inbrengen. Een verhitte platinalus aan de punt van de endoscoop kan worden gebruikt om afwijkend weefsel te vernietigen, kleine gezwellen te verwijderen of een bloedvat te dichten. Met een naald aan de punt van de endoscoop kunnen geneesmiddelen in verwijde aders van de slokdarm worden geïnjecteerd om te zorgen dat deze stoppen met bloeden.

Endoscopisch onderzoek van de maag wordt verricht bij patiënten die minimaal tien uur tevoren niet meer hebben gegeten. Het voedsel in de maag kan het zicht van de arts belemmeren en tijdens de procedure worden uitgebraakt. Voordat een endoscoop in de endeldarm en dikke darm wordt ingebracht, krijgt de patiënt gewoonlijk laxeermiddelen en soms een klysma toegediend om de aanwezige ontlasting te verwijderen. Daarnaast mag de patiënt gedurende meerdere uren voor de procedure niet eten omdat dit zou kunnen worden uitgebraakt en omdat hierdoor de effectiviteit van laxeermiddelen en klysma's zou afnemen.

Complicaties als gevolg van endoscopie zijn zeldzaam. Hoewel de endoscoop het spijsverteringskanaal kan beschadigen of zelfs kan perforeren, veroorzaakt deze normaal gesproken slechts irritatie van de bekleding van het spijsverteringskanaal en kan er wat bloedverlies optreden.

illustrative-material.figure-short 1

Inspectie van het spijsverteringskanaal met een endoscoop

Inspectie van het spijsverteringskanaal met een endoscoop

Om de verschillende delen van het spijsverteringskanaal te kunnen inspecteren, wordt gebruikgemaakt van een flexibele buis, ‘endoscoop' genaamd. De buis bestaat in de lengterichting uit verschillende kanalen. De verschillende kanalen worden gebruikt om licht naar het te onderzoeken gebied te geleiden, om het gebied door een cameralens te bekijken (met een camera aan de punt van de buis), om vloeistoffen of lucht naar binnen of naar buiten te pompen en om instrumenten voor een biopsie of een operatie door te voeren. Ingebracht via de mond kan de endoscoop worden gebruikt voor onderzoek van de slokdarm, de maag en een gedeelte van de dunne darm. Ingebracht via de anus kan een endoscoop worden gebruikt voor onderzoek van de endeldarm en de gehele dikke darm. Het instrument dat bij de verschillende onderzoeken wordt gebruikt, varieert alleen in lengte en afmetingen van de buis.

Laparoscopie

Laparoscopie is een onderzoek van de buikholte met behulp van een endoscoop. Bij laparoscopie is de patiënt doorgaans onder algehele narcose. Nadat de betreffende huidzone is gedesinfecteerd, wordt een kleine incisie gemaakt, meestal op de rand van de navel. De endoscoop wordt dan via de incisie in de buikholte gebracht. De arts kan de holte inspecteren op tumoren en andere afwijkingen, vrijwel elk orgaan in de buikholte onderzoeken, weefselmonsters nemen en zelfs een herstelingreep uitvoeren. Tot de complicaties behoren bloedingen, infecties en perforatie van het spijsverteringskanaal.

Röntgenonderzoek

Voor onderzoek van spijsverteringsproblemen worden dikwijls röntgenfoto's gemaakt. Standaardröntgenonderzoek van de buik vereist geen speciale voorbereiding. Deze röntgenfoto's worden doorgaans gebruikt om een obstructie of verlamming van het spijsverteringskanaal of abnormale gasophoping in de buikholte aan te tonen. Standaardröntgenfoto's kunnen ook vergroting van organen als de lever, nieren en milt aantonen.

Bariumonderzoek levert vaak meer informatie op. De röntgenfoto's worden gemaakt nadat de patiënt barium heeft ingeslikt (in een vloeibaar mengsel met een smaakje of als voedsel bedekt met een laagje barium). Het barium kleurt wit op röntgenopnamen en geeft de omtrek en bekleding weer van de slokdarm, maag en dunne darm. Het barium hoopt op in afwijkende gebieden en verraadt daardoor zweren, tumoren, afsluitingen, erosie en vergrote, verwijde aders in de slokdarm.

De röntgenfoto's kunnen met tussenpozen worden gemaakt om te zien waar het middel is terechtgekomen. Bij een continu uitgevoerd röntgenonderzoek met de naam ‘fluoroscopie' wordt het barium gevolgd terwijl dit door het spijsverteringskanaal beweegt. Met deze techniek kan de arts zien hoe de slokdarm en maag functioneren, kan hij bepalen of de samentrekkingen normaal verlopen en kan hij zien of het voedsel ergens in het spijsverteringskanaal wordt tegengehouden. De arts kan dit proces op film vastleggen om het later opnieuw te bekijken.

Barium kan ook als een klysma worden toegediend om de contouren van het onderste deel van de dikke darm te onderzoeken. Op de röntgenfoto's kunnen poliepen, tumoren en andere afwijkingen zichtbaar zijn. Deze procedure kan enige buikkramp veroorzaken en voor licht tot matig ongemak zorgen.

Barium dat via de mond is ingenomen of als een klysma is toegediend, wordt uiteindelijk uitgescheiden met de ontlasting, die dan een krijtwitte kleur krijgt. Omdat barium aanzienlijke obstipatie kan veroorzaken, probeert de arts ervoor te zorgen dat het barium na het onderzoek snel wordt uitgescheiden. Dit kan worden bereikt met een mild laxeermiddel.

Echografie

Bij echografie wordt met behulp van geluidsgolven een beeld van de inwendige organen gevormd. De onderzoeker (een arts of specialist) voert de echografie meestal uit door een kleine sonde tegen de buikwand van de patiënt aan te drukken. Door de sonde te bewegen, worden de geluidsgolven op verschillende delen van de buik gericht. Het gevormde beeld wordt zichtbaar gemaakt op een monitor en opgenomen op een videoband. Met echografie kunnen de grootte en vorm van veel organen zichtbaar worden gemaakt (bijvoorbeeld van de lever en alvleesklier) en er kan een afbeelding worden verkregen van afwijkingen in deze organen. Tevens kan de aanwezigheid van vocht worden aangetoond. Echografie is echter minder geschikt voor onderzoek van de bekleding van het spijsverteringskanaal en wordt daarom minder vaak gebruikt om tumoren op te sporen of de oorzaak van bloedingen in de maag of de dunne of dikke darm te achterhalen. Endoscopische echografie is een nieuwere procedure waarbij de bekleding van het spijsverteringskanaal duidelijker te zien is omdat de sonde op de punt van een endoscoop is geplaatst.

Echografie is pijnloos en levert geen risico van complicaties op. Endoscopische echografie kent hetzelfde risico van complicaties als endoscopie.

Computertomografie en kernspinresonantie

Met behulp van computertomografie (CT) en kernspinresonantie (MRI) kan de arts verschillende lagen (dwarsdoorsneden) van de buik bekijken.

Bij zowel CT als MRI mag de patiënt meestal op de ochtend van het onderzoek niets eten. Voor een CT-scan wordt intraveneus een contrastmiddel toegediend dat zichtbaar is op röntgenfoto's. Voor een MRI-scan wordt intraveneus een paramagnetisch contrastmiddel toegediend. De patiënt ligt op een tafel of in een buisvormige apparaat terwijl de machine langzaam over de te onderzoeken gebieden beweegt.

Bij een CT-scan geeft de machine röntgenstralen af. Bij een MRI-scan kan de machine aan de hand van de reacties van de lichaamsweefsels op het magnetische veld beelden vormen van de onderliggende organen. Bij beide onderzoeken moet de patiënt tijdens het beeldvormingsproces stil blijven liggen (mogelijk in een buisvormige constructie). Voor mensen die bang zijn voor afgesloten ruimten (claustrofobie) kan het onderzoek problematisch zijn, maar er wordt steeds meer gebruikgemaakt van open scanners. Tevens kunnen sommige patiënten een reactie vertonen op het bij de scan gebruikte contrastmiddel. Hierbij kan onder andere sprake zijn van netelroos, kortademigheid en, in zeldzame gevallen, van een gevaarlijk verlaagde bloeddruk (anafylaxie).

CT- en MRI-scans zijn geschikt voor het bepalen van de omvang en de plaats van buikorganen. Verder worden met deze onderzoeken vaak kwaadaardige (maligne) of goedaardige (benigne) tumoren opgespoord. Ook veranderingen in het verloop of de omvang van bloedvaten kunnen worden gevonden. Ontstekingen, zoals van de appendix (appendicitis) of divertikels (diverticulitis), zijn meestal duidelijk zichtbaar. Soms worden deze onderzoeken gebruikt om radiologische of chirurgische procedures te ondersteunen.

Paracentese

Paracentese is het inbrengen van een naald in de buikholte voor het verwijderen van vocht. Doorgaans bevat de buikholte buiten het spijsverteringskanaal slechts een geringe hoeveelheid vocht. Onder bepaalde omstandigheden kan zich echter vocht ophopen, bijvoorbeeld bij iemand met een leveraandoening, hartfalen, kanker of een gescheurde maag, darm of milt. Een arts kan paracentese gebruiken om een aandoening beter te kunnen diagnosticeren (bijvoorbeeld om voor analysen een vloeistofmonster te nemen) of als onderdeel van de behandeling (bijvoorbeeld om een overmaat aan vocht te verwijderen).

Voorafgaand aan paracentese vindt een lichamelijk onderzoek plaats, soms in combinatie met echografie, om te bevestigen dat de buikholte een overmaat aan vocht bevat. Vervolgens wordt de huid meestal vlak onder de navel gedesinfecteerd en plaatselijk licht verdoofd. De arts duwt dan een naald verbonden met een injectiespuit door de huid en spierlaag van de buikwand tot in het gebied waar zich vocht heeft opgehoopt. Er zal slechts een kleine hoeveelheid vocht voor laboratoriumonderzoek worden weggezogen, maar om de uitzetting van de buikholte te verminderen kunnen soms ettelijke liters worden verwijderd. Mogelijke complicaties zijn perforatie van het spijsverteringskanaal en bloedingen.

Onderzoek naar occult bloed

Bloedingen in het spijsverteringsstelsel kunnen worden veroorzaakt door iets onbetekenends als een kleine irritatie of iets ernstigs als kanker. Wanneer de bloeding hevig is, kan iemand bloed overgeven (haematemesis), helderrood bloed in de ontlasting uitscheiden (haematochezia) of zwarte, teerachtige ontlasting (melaena) uitscheiden. Hoeveelheden bloed die te klein zijn om met het blote oog te worden waargenomen of om de ontlasting er anders uit te laten zien, kunnen chemisch worden opgespoord. Wanneer dergelijke kleine hoeveelheden worden waargenomen, kan dit vroegtijdig aanwijzingen verschaffen voor de aanwezigheid van zweren, tumoren en andere afwijkingen.

Bij een rectaal onderzoek verwijdert de arts een kleine hoeveelheid ontlasting met een gehandschoende vinger. Dit monster wordt aangebracht op een filtreerpapiertje dat is geïmpregneerd met een chemische stof (guajac). Nadat een andere chemische stof is toegevoegd, zal het monster van kleur veranderen als er bloed aanwezig is. De patiënt kan ook een set met geïmpregneerde filtreerpapiertjes mee naar huis nemen. De patiënt brengt monsters van ongeveer drie verschillende ontlastingen aan op de filtreerpapiertjes, die vervolgens in een speciale verpakking naar de arts worden teruggestuurd voor onderzoek. Als er bloed wordt aangetroffen, is verder onderzoek nodig om de bron te bepalen.

Inbrengen van een sonde in het spijsverteringskanaal

Bij het inbrengen van een sonde in het spijsverteringskanaal wordt via de neus of mond een kleine, buigzame kunststof slang naar de maag of dunne darm gevoerd. Deze procedure kan zowel voor diagnose als voor behandeling worden toegepast. Het inbrengen van een sonde kan bij sommige mensen kokhalzen en misselijkheid veroorzaken. De maat van de slang is afhankelijk van het doel.

Het inbrengen van een slang via de neus naar de maag kan worden toegepast om een monster van het maagsap te nemen. De slang wordt niet via de mond, maar via de neus ingebracht. Dit is voornamelijk omdat de slang langs deze weg gemakkelijker naar de slokdarm kan worden gevoerd. Daarnaast is het inbrengen van een slang door de neus minder irriterend en zal het minder snel hoesten veroorzaken. Door het inbrengen van een neus-maagsonde kan de arts bepalen of de maag bloed bevat en kan de maagafscheiding worden gecontroleerd op zuurgraad, enzymen en andere kenmerken. Bij vergiftigingen kan het maagsap worden geanalyseerd om de aard van het gif vast te stellen. In bepaalde gevallen wordt de slang op zijn plaats gelaten zodat in enkele uren tijd een aantal monsters kan worden genomen.

Het via de neus inbrengen van een sonde kan ook worden toegepast om bepaalde aandoeningen te behandelen. Zo kunnen gifstoffen worden weggepompt of geneutraliseerd met actieve kool en kan vloeibaar voedsel worden toegediend aan mensen die niet kunnen slikken.

Soms wordt met een neus-maagsonde de maaginhoud verwijderd. Meestal is het uiteinde van de slang dan voorzien van afzuiging om continu gas en vloeistof uit de maag te verwijderen. Hierdoor kan de druk worden verminderd als het spijsverteringskanaal is afgesloten of anderszins niet goed functioneert. Dit type slang wordt na een buikoperatie vaak gebruikt, totdat het spijsverteringsstelsel weer normaal functioneert.

Soms wordt, al dan niet met behulp van röntgendoorlichting, een langere slang via de neus en de maag in de dunne darm gebracht. Deze procedure wordt toegepast om een monster van de darminhoud te nemen, continu vocht te verwijderen of om voedsel toe te dienen.

Manometrie

Manometrie (drukmeting) is een onderzoeksmethode waarbij een slang voorzien van drukreceptoren in de slokdarm wordt geplaatst. Met behulp van dit instrument, een zogenoemde ‘manometer', kan de arts bepalen of de samentrekkingen van de slokdarm in staat zijn om voedsel normaal voort te duwen. Soms gebruik de arts een vergelijkbaar hulpmiddel om de druk in de dikke darm te meten en zo te bepalen of de spiersamentrekkingen sterk genoeg zijn om de ontlasting vooruit te bewegen en uiteindelijk voor stoelgang te zorgen.

Tijdens slokdarmmanometrie kan ook een oesofageale pH-meting (een test die de zuurgraad in de slokdarm meet) worden uitgevoerd. Deze onderzoeksmethode wordt toegepast om te bepalen of iemand gastro-oesofageale reflux heeft (terugvloeien van maagzuur in de slokdarm). Er kunnen één of meerdere metingen worden uitgevoerd.

Last full review/revision February 2003

Back to Top

Previous: Symptomen

Next: Introductie

Figures
Tables
Disclaimer