THE MERCK MANUAL MEDICAL LIBRARY: The Merck Manual of Medical Information--Home Edition
Tips for better results

Section

Subject

Topics

Ziekte van Parkinson

De ziekte van Parkinson is een langzaam progressieve, degeneratieve aandoening van het zenuwstelsel, die wordt gekenmerkt door tremor in rust (rusttremor), langzame willekeurige bewegingen en een verhoogde spierspanning (rigiditeit).

De ziekte van Parkinson treft ongeveer 1 op de 250 mensen ouder dan 40 jaar en ongeveer 1 op de 100 mensen ouder dan 65 jaar. De ziekte begint meestal tussen de 50 en 79 jaar en komt tweemaal zo vaak voor bij blanken als bij mensen van negroïde afkomst.

Wanneer de hersenen een impuls afgeven om een spier te bewegen (bijvoorbeeld om een arm op te tillen), passeert de impuls de basale ganglia (verzamelingen zenuwcellen diep in de hersenen, aan de basis van de grote hersenen). De basale ganglia verzorgen de verfijning van de spierbewegingen en coördineren houdingsveranderingen. Net als alle zenuwcellen activeren de zenuwcellen in de basale ganglia chemische boodschappers (neurotransmitters) die de volgende zenuwcel in de zenuwbaan prikkelen om een impuls uit te zenden. De belangrijkste neurotransmitter in de basale ganglia is dopamine. Het algemene effect is een toename van zenuwprikkels naar de spieren. Bij de ziekte van Parkinson degenereren er zenuwcellen in een deel van de basale ganglia (de substantia nigra), waardoor minder dopamine wordt geproduceerd en het aantal verbindingen tussen de zenuwcellen in de basale ganglia afneemt. Als gevolg daarvan kunnen de basale ganglia de bewegingen niet zo goed afwerken als normaal, wat tot tremor, stijfheid, onhandigheid en vertraagde en verminderde bewegingen (bradykinesie) leidt.

De oorzaak van de zenuwceldegeneratie bij de ziekte van Parkinson is onbekend. Hoewel de ziekte in sommige families vaker voorkomt, lijkt genetische aanleg geen belangrijke rol te spelen.

Parkinsonisme is een aandoening met veel of alle symptomen van de ziekte van Parkinson. Parkinsonisme kan door allerlei aandoeningen worden veroorzaakt. Het kan een complicatie zijn van virale hersenontsteking, een zeldzame aandoening die op een griepachtige infectie volgt. Parkinsonisme kan ook ontstaan wanneer andere degeneratieve ziekten, geneesmiddelen of toxinen de werking van dopamine en andere neurotransmitters verstoren of blokkeren. Zo blokkeren antipsychotica, toegepast bij ernstige paranoia en schizofrenie, de werking van dopamine. Het gebruik van het middel MPTP (dat toevallig werd geproduceerd toen illegale drugsgebruikers probeerden de opioïde pethidine na te maken) kan bij jonge mensen een plotselinge ernstige en onherstelbare vorm van parkinsonisme veroorzaken. Ander oorzaken zijn onder meer structurele hersenaandoeningen (zoals hersentumor en CVA) en hoofdletsel, vooral het herhaalde letsel dat bij de bokssport optreedt.

Corticobasale gangliondegeneratie is een zeldzame oorzaak van parkinsonisme. De aandoening is het gevolg van degeneratie van hersenweefsel in de hersenschors en de basale ganglia. Corticobasale gangliondegeneratie verschilt van andere vormen van parkinsonisme door afwijkingen in de hersenschors. Door deze afwijkingen kan de patiënt zich niet meer uitdrukken in gesproken of geschreven taal of deze niet meer begrijpen (afasie), kan hij eenvoudige handelingen niet meer uitvoeren (apraxie) en kan hij voorwerpen niet meer koppelen aan hun gebruikelijke rol of functie (agnosie). De symptomen beginnen na het 60e jaar en leiden na ongeveer 5 jaar tot immobiliteit en na ongeveer 10 jaar tot overlijden.

Symptomen

De ziekte van Parkinson begint meestal sluipend en wordt langzaam erger. Bij veel mensen begint de aandoening met een grove, ritmische tremor in de hand terwijl deze in rust is. De tremor neemt af wanneer de hand bewust wordt bewogen en verdwijnt geheel tijdens de slaap. Bij emotionele stress of bij vermoeidheid kan de tremor toenemen. De tremor kan zich uiteindelijk naar de andere hand, naar de armen en de benen uitbreiden. Ook in de kaak, de tong, het voorhoofd en de oogleden kan een tremor ontstaan. De tremor kan minder duidelijk worden naarmate de ziekte verergert. Bij ongeveer eenderde van de parkinsonpatiënten is een tremor niet het eerste symptoom. Sommige patiënten krijgen nooit een tremor. Andere vroege symptomen zijn onder meer een verminderde reukzin, de neiging om de lichaamsbewegingen te beperken, moeite met lopen en het ontbreken van een gelaatsuitdrukking met onregelmatig oogknipperen.

De reukzin blijkt deels af te nemen doordat parkinsonpatiënten moeite hebben met snuiven, de bewuste inademing van een grote hoeveelheid lucht. (Ook door degeneratie van de hersencellen in de gebieden betrokken bij de reukzin kan de reuk afnemen.) Hoewel een verminderde reukzin een gering probleem kan lijken, kan het de eetlust verminderen en daardoor bijdragen aan ondervoeding.

De spieren worden stijf, waardoor bewegen moeilijk wordt. Wanneer iemand anders probeert de onderarm terug te buigen of te strekken, kan de beweging stijf aanvoelen alsof er een ratelmechanisme in de arm zit. Bewegingen worden langzaam en kunnen maar moeizaam worden ingezet; ook de beweeglijkheid neemt af. Rigiditeit en afgenomen beweeglijkheid kunnen aan spierpijn en moeheid bijdragen. Doordat de kleine spieren in de handen vaak zijn aangedaan, worden dagelijkse taken als het dichtknopen van een overhemd en het strikken van de schoenveters steeds moeilijker. De meeste parkinsonpatiënten hebben een bibberig, klein handschrift (micrografie) doordat de aanzet tot en uitvoering van iedere haal van de pen moeilijk is.

Parkinsonpatiënten hebben moeite met lopen, vooral met het zetten van de eerste stap. Eenmaal in beweging lopen ze vaak met schuifelende, kleine passen zonder de armen mee te bewegen. Sommigen hebben moeite om te stoppen of te draaien wanneer ze lopen. In een gevorderd stadium van de ziekte stoppen sommige patiënten ineens met lopen, omdat het voor hen voelt alsof hun voeten aan de grond zijn vastgelijmd. Anderen versnellen ongewild hun pas en beginnen kort struikelend te rennen om te voorkomen dat ze vallen. Ze krijgen een gebogen houding en hebben moeite hun evenwicht te bewaren, waardoor ze gemakkelijk voorover vallen. Vanwege de vertraging van hun bewegingen kunnen ze vaak niet snel genoeg hun handen uitsteken om een val te breken.

Het gezicht wordt minder expressief doordat de gezichtspieren, die de mimiek verzorgen, niet bewegen. Dit gebrek aan gezichtsuitdrukking kan ten onrechte voor een depressie worden aangezien of een depressie wordt daardoor juist niet onderkend (depressie komt veel voor bij parkinsonpatiënten). Uiteindelijk kan de patiënt een uitdrukkingsloze, starende blik krijgen met de mond open en het is mogelijk dat de ogen niet vaak knipperen. De patiënt kwijlt vaak of verslikt zich doordat hij door de stijfheid van de gezichts- en keelspieren slikproblemen krijgt. Ondervoeding en uitdroging kunnen het gevolg zijn. Parkinsonpatiënten spreken vaak met zachte, monotone stem en soms stotteren ze doordat ze moeite hebben met het uitspreken van woorden.

Parkinsonpatiënten kunnen last krijgen van obstipatie. Bij veel patiënten blijven de verstandelijke vermogens normaal, maar ongeveer de helft wordt dement.

Diagnose

De diagnose wordt op de symptomen gebaseerd. Vanwege de doorgaans subtiele verschijnselen in het beginstadium kan het voor de arts moeilijk zijn de ziekte te diagnosticeren. De diagnose is vooral moeilijk bij ouderen, omdat bij het ouder worden soms een aantal van dezelfde problemen ontstaat als bij de ziekte van Parkinson, zoals evenwichtsstoornissen, langzame bewegingen, spierstijfheid en een gebogen houding. Afgezien van onderzoek met radioactieve stoffen in PET- en SPECT-onderzoek, waarbij een indruk kan worden verkregen van het eventuele verlies van dopaminerge neuronen, bestaan er geen (beeldvormende) onderzoeken waarmee de diagnose direct kan worden bevestigd. Met computertomografie (CT) en magnetische kernspinresonantie (MRI) kan worden gezocht naar een structurele aandoening die soortgelijke symptomen zou kunnen veroorzaken. De diagnose ‘ziekte van Parkinson' is waarschijnlijk als een behandeling met geneesmiddelen tegen de ziekte tot verbetering leidt.

Behandeling

De lichamelijke maatregelen die worden toegepast voor behandeling van de ziekte van Parkinson en parkinsonisme zijn dezelfde. De geneesmiddelen die worden gebruikt om de ziekte van Parkinson te behandelen zijn vaak echter niet effectief voor patiënten met parkinsonisme. Het is dan meestal effectiever om de onderliggende aandoening te behandelen of om het gebruik van het geneesmiddel dat leidde tot parkinsonisme te staken; er is dan kans op genezing.

Lichamelijke maatregelen: parkinsonpatiënten kunnen hun mobiliteit behouden door zoveel mogelijk dagelijkse activiteiten te blijven verrichten en door regelmatig lichamelijke oefeningen te doen. Met fysiotherapie en ergotherapie kunnen de patiënten de spierspanning op peil houden of brengen, het bewegingsbereik handhaven en aanpassingsstrategieën aanleren. (see Introductie)

Mechanische hulpmiddelen, zoals een rollator, kunnen ook bijdragen aan het behoud van hun zelfstandigheid.

Een vezelrijk dieet kan de obstipatie tegengaan, die kan worden verergerd door het gebruik van levodopa. Bepaalde voedingsmiddelen, zoals pruimensap en andere vruchtensappen, en laxeermiddelen als sennaconcentraat, kunnen zorgen voor een regelmatige stoelgang. Moeilijkheden bij het slikken kunnen tot ondervoeding leiden. De arts moet er daarom op letten dat het dieet voedzaam is. De eetlust kan worden opgewekt door dieper te leren opsnuiven waardoor men beter gaat ruiken.

Met eenvoudige aanpassingen kan het huis voor parkinsonpatiënten veiliger worden gemaakt. Door bijvoorbeeld losse kleedjes weg te halen kan struikelen worden voorkomen en het aanbrengen van handgrepen in badkamer, wc, hal en op andere plaatsen verkleint het risico van vallen. De dagelijkse handelingen kunnen worden vergemakkelijkt door bijvoorbeeld knopen op de kleding te vervangen door klittenband of door schoenen met klittenband aan te schaffen.

Geneesmiddelen: geneesmiddelen die de ziekte van Parkinson genezen of tot staan brengen zijn er niet, maar er bestaan wel veel geneesmiddelen om het bewegen te vergemakkelijken, waardoor patiënten nog jarenlang goed kunnen functioneren. Er zijn mogelijk twee of meer geneesmiddelen nodig.

Levodopa is het effectiefst wat betreft vermindering van tremor en spierrigiditeit en voor verbetering van de bewegingen. Behandeling met dit middel kan bij parkinsonpatiënten tot spectaculaire verbetering leiden, maar bij patiënten met parkinsonisme als gevolg van een andere aandoening wordt meestal geen verbetering geconstateerd. Levodopa wordt oraal ingenomen en in de basale ganglia omgezet in dopamine, waardoor de afname van de dopamineproductie wordt gecompenseerd. Patiënten met een lichte vorm van de ziekte van Parkinson kunnen met levodopa een bijna normaal activiteitenniveau terugkrijgen en sommige bedlegerige patiënten kunnen er weer door lopen.

Levodopa wordt samen met carbidopa gegeven. Carbidopa voorkomt dat levodopa in dopamine wordt omgezet voordat het de hersenen bereikt. Wanneer de twee middelen tegelijk worden gegeven, is er een lagere dosis levodopa nodig, waardoor de bijwerkingen van het middel (misselijkheid en opvliegers) verminderen. De combinatie levodopa-carbidopa vormt de basis voor de behandeling van de ziekte van Parkinson.

Om te bepalen wat de beste dosis levodopa voor een bepaalde patiënt is, moet de arts een afweging maken tussen het onder controle houden van de ziekte en het optreden van bepaalde bijwerkingen, die de hoeveelheid levodopa die de patiënt verdraagt, kunnen beperken. Tot deze bijwerkingen behoren onwillekeurige bewegingen van de mond, het gezicht en de ledematen, nachtmerries en hallucinaties en veranderingen van de bloeddruk. Veel deskundigen menen dat het optreden van de onwillekeurige bewegingen kan worden uitgesteld wanneer tijdens de eerste jaren van de behandeling met of in plaats van levodopa een geneesmiddel wordt gebruikt waarmee de werking van dopamine wordt nagebootst (een dopamineagonist).

Nadat 5 jaar of langer levodopa is geslikt, zal meer dan de helft van de patiënten snel afwisselend een goede reactie en geen reactie op het geneesmiddel vertonen, een effect dat het ‘on-off'-verschijnsel wordt genoemd. Binnen enkele seconden kan de toestand van de patiënt omslaan van tamelijk mobiel tot ernstig beperkt. De periode van verlichting na elke dosis wordt korter en perioden van immobiliteit worden met perioden van verbeterde mobiliteit afgewisseld. Verbeterde mobiliteit kan echter gepaard gaan met trekkende bewegingen of hyperactiviteit, wanneer de onwillekeurige bewegingen als gevolg van het gebruik van levodopa aanzienlijk toenemen. De effecten kunnen in eerste instantie worden beperkt door gebruik van lagere, frequentere doses, maar na 15 tot 20 jaar wordt het steeds moeilijker deze effecten te onderdrukken. In dat geval wordt een operatie overwogen.

Andere geneesmiddelen zijn meestal minder effectief dan levodopa, maar sommige patiënten kunnen er baat bij hebben, vooral als levodopa niet wordt verdragen of niet voldoende is. Dopamineagonisten, die de werking van dopamine nabootsen, kunnen in elk stadium van de ziekte zinvol zijn. Voorbeelden hiervan zijn pergolide, pramipexol en ropinirol. Selegiline, een type antidepressivum dat wordt aangeduid als monoamineoxidaseremmer (MAO-remmer (see Depressie en manieTables)), voorkomt de afbraak van dopamine, waardoor de werking van deze stof in het lichaam wordt verlengd. Entacapon voorkomt ook dat dopamine wordt afgebroken en lijkt een nuttige aanvulling te vormen op levodopa.

Anticholinergica (see Geneesmiddelen bij ouderenSidebar), zoals benzatropine en trihexyfenidyl, kunnen in het beginstadium van de ziekte van Parkinson de ernst van een tremor effectief verminderen. In de latere stadia kunnen ze ook als aanvulling op levodopa worden gebruikt. Anticholinergica kunnen de tremor verminderen doordat ze de werking van acetylcholine blokkeren. (Een tremor zou worden veroorzaakt door een disbalans tussen acetylcholine (te veel) en dopamine (te weinig).) Andere anticholinergica, onder meer sommige antihistaminica en tricyclische antidepressiva, zijn licht effectief en worden gebruikt als aanvulling op levodopa.

Amantadine, een middel dat soms wordt gebruikt bij de behandeling van griep, kan op zichzelf ook worden gebruikt om een lichte vorm van de aandoening te behandelen of als aanvulling op levodopa. Propranolol, een bètablokker, kan worden voorgeschreven om de ernst van een tremor te verminderen.

Operatief ingrijpen: bij een pallidotomie wordt een klein gebied in één van de basale ganglia operatief vernietigd. Deze procedure kan het ‘off'-gedeelte (de problemen bij het inzetten van bewegingen) van het ‘on-off'-verschijnsel, evenals de onwillekeurige bewegingen die optreden na jarenlang gebruik van levodopa, sterk terugdringen. In hetzelfde gebied kunnen ook kleine elektroden worden geïmplanteerd. Deze geven een hoogfrequente elektrische prikkel af aan dit gebied, waardoor vaak evenveel verbetering wordt bereikt.

Dopamineproducerende zenuwcellen kunnen worden gewonnen uit menselijk foetaal weefsel en geïmplanteerd in de hersenen van een parkinsonpatiënt. Deze cellen vormen verbindingen met andere zenuwcellen en produceren dopamine, waardoor ze dus de ontbrekende neurotransmitter leveren. Deze procedure verkeert echter nog in een experimenteel stadium en moet nog verder worden onderzocht.

Mantelzorg en levenseinde: de ziekte van Parkinson is progressief, dus zullen de patiënten uiteindelijk hulp nodig hebben bij de normale dagelijkse bezigheden, zoals eten, wassen, aankleden en toiletgang. Mantelzorgers doen er goed aan kennis te nemen van de lichamelijke en psychische effecten van de ziekte van Parkinson en van de wijze waarop deze patiënten zo goed mogelijk kunnen functioneren. Aangezien dergelijke zorg vermoeiend en veeleisend is, kunnen mantelzorgers baat hebben bij lotgenotencontact.

Uiteindelijk worden parkinsonpatiënten meestal ernstig invalide en immobiel. Soms zijn ze zelfs met hulp niet meer in staat te eten. Het slikken wordt steeds moeilijker, waardoor het risico bestaat van overlijden door aspiratiepneumonie. Ongeveer de helft van deze patiënten wordt dement. Voor sommige patiënten is, afhankelijk van veel factoren, een verpleeghuis mogelijk de beste oplossing. Voordat patiënten door de ziekte handelingsonbekwaam worden, zouden ze een wilsverklaring moeten opstellen met daarin hun wensen ten aanzien van medische behandeling in de terminale fase (see Schriftelijke wilsverklaring).

TYPE

GENEESMIDDEL

ENKELE BIJWERKINGEN

OPMERKINGEN

dopamineprecursor (een stof die kan worden omgezet in dopamine)

 
  levodopa (toegediend in combinatie met carbidopa) Bij levodopa ontstaan soms onwillekeurige bewegingen van de mond, het gezicht en de ledematen, nachtmerries, veranderingen van de bloeddruk, obstipatie, misselijkheid, sufheid, hartkloppingen en opvliegers. Deze combinatie vormt de basis van de behandeling van de ziekte van Parkinson. Carbidopa verbetert de opname van levodopa in de hersenen en vermindert de bijwerkingen. Na enkele jaren kan de werkzaamheid van de combinatie afnemen.

dopamineagonisten 

  bromocriptinepergolidepramipexolropinirol sufheid, misselijkheid, veranderingen in de bloeddruk en hallucinaties; bij plotselinge stopzetting van het gebruik treedt het maligne neurolepticasyndroom op ( (see Schizofrenie en waanstoornisSidebar)) Deze geneesmiddelen kunnen in de beginstadia als het enige middel worden gebruikt. Gebruik in een vroeg stadium kan het ontstaan van problemen met de bijwerkingen van levodopa vertragen.

MAO-B-remmer 

  selegiline misselijkheid, duizeligheid, verwardheid, droge mond en buikpijn Selegiline kan als enig geneesmiddel worden gebruikt, maar wordt vaak gegeven als aanvulling op levodopa. Selegiline is in het gunstigste geval matig effectief.

COMT-remmers 

  entacapontolcapon misselijkheid, abnormale onwillekeurige bewegingen, diarree, rugpijn en verkleuring van de urine Deze middelen kunnen elk als aanvulling op levodopa worden gebruikt in een laat stadium van de ziekte om de periode tussen de doses levodopa te verlengen.

anticholinergica 

  benzatropinetrihexyfenidyltricyclische antidepressiva (zoals amitriptyline, zie (see Prognose en behandeling))sommige antihistaminica (zoals difenhydramine) sufheid, droge mond, wazig zien, duizeligheid, obstipatie en problemen bij het urineren (zie ook het ) Deze middelen kunnen als het enige middel worden gegeven in de vroege stadia van de ziekte en in combinatie met levodopa in de latere stadia. Ze kunnen de tremor verminderen, maar hebben geen invloed op de vertraagde bewegingen of de spierstijfheid.

antivirale middelen 

 

amantadine

misselijkheid, duizeligheid, slapeloosheid, angst en verwardheid; bij stopzetting of vermindering van de dosis treedt er een levensbedreigende hoge koorts op met stoornissen in de bloeddruk, ademhaling en hartslag, en in andere inwendige functies (vergelijkbaar met het maligne neurolepticasyndroom) Amantadine wordt als het enige middel gebruikt in de vroege stadia bij een lichte aandoening en in latere stadia om de effectiviteit van levodopa te versterken. Bij gebruik als het enige middel kan het na enige maanden zijn effectiviteit verliezen. Aangenomen wordt dat amantadine de afgifte van dopamine bevordert.

bètablokkers 

 

propranolol

zie (see Introductie) Propranolol kan worden gebruikt om de ernst van de tremor te verminderen.

MAO-B = monoamineoxidase-B; COMT = cathechol-O-methyltransferase

Last full review/revision February 2003

Back to Top

Previous: Tremor

Next: Progressieve supranucleaire paralyse

Figures
Tables
Disclaimer